Categorie archief: Politics

Website uitgedund

Beste lezers,

De redactie heeft in de laatste weken voor aanvang van het ‘Schicksalsjahr 2018’ uw website www.michielklinkhamer.com volledig opgeschoond.

Speerpunten voor 2018 zijn de geopolitieke actualiteit en het onderwijs in Westerse landen.

Aan andere onderwerpen, met name zaken waar geheime diensten aanstoot aan kunnen nemen, wordt met een stil gebed voorbij gegaan.

De omvang is teruggebracht van enkele tientallen tot 6 pagina’s.

Alle onderwerpen worden besproken vanuit een vanzelfsprekende liefde voor vrede en voor de vrijheid van het individu.

Met vriendelijke groet,

De redactie.

 

 

 

 

 

Sardonische Scrypto van NRC Handelsblad 11 mei 2002

Sinds 1987 publiceert NRC Handelsblad wekelijks een cryptogram van Jelmer Steenhuis met de naam ‘Scrypto’.

Steenhuis nam de cryptogram over van voormalig hoofdredacteur Henk Scheltes en voegde ‘als stil eerbetoon’ aan zijn illustere voorganger de letter S aan de naam van de puzzel toe. Zo ontstond  de benaming ‘Scrypto’.

Op zijn website zegt Steenhuis verder over de naamsverandering: “Ik heb geprobeerd die S symbool te maken van Speels, Spannend, Scherp, Smaakvol, Spits, Spraakmakend, Sterk en Scabreus”.

Steenhuis heeft in 30 jaar een indrukwekkende serie scrypto’s  neergezet. Nu hij – sensitief voor symboliek als hij blijkt te zijn – wellicht na 30 of 33 jaren  gaat stoppen, zullen wij als stille saluut aan de scrypto-meester ter aanvulling op bovengenoemde opsomming een achttal adjectieven bedenken, dat eveneens begint met de letter S en dat koppelen aan een summiere selectie van de meest sublieme scrypto’s van de afgelopen 30 jaar.

We beginnen met de Sardonische Scrypto  van 11 mei 2002. Dat was vijf dagen na de moord op politicus Pim Fortuyn en één dag na diens begrafenis.

Een greep uit de 26 omschrijvingen en oplossingen:

  • ‘Die tragische figuur is slecht nieuws in Scheveningen’ (antwoord:  ‘Pierrot’)
  • ‘Verbaasd dat je op dit moment geen energie hebt’ – (‘nou moe’)
  • ‘Serie rookwaren voor de naaste toekomst – (‘pijplijn’)
  • “Te ambitieus programma van de kok – (‘geen haalbare kaart’)
  • ‘Passend getatoeëerd – (‘op het lijf geschreven’)
  • ‘Werkman die steeds ongewenster is in openbare ruimten -(‘roker’)
  • ‘Zuur voor de verliezer (‘inmaakazijn’)
  • ‘Partijkader – (‘lijst’)
  • ‘Hé vogel, ga eens even ergens anders staan – (‘verhip’)
  • ‘Ruimtewandeling – (‘mars’)

Wat krijgen we nou? De zaterdagpuzzel staat vol met toespelingen op de zojuist overleden en door het NRC volop ‘geridiculiseerde’ politicus!

  • ‘slecht nieuws’ in ‘Scheveningen’ – waar de ambtswoning van de minister-president van Nederland zich bevindt – betekent dat het premierschap van  de heer Fortuyn ongewenst was
  • de ‘tragische figuur’ is natuurlijk de idealistische politicus, die zo onverwacht en vroegtijdig uit ons midden is verdwenen
  • een ‘serie rookwaren’ is een toespeling op de sigaren die Fortuyn regelmatig in zijn mond stak en de oplossing ‘pijplijn’ een toespeling op zijn openlijk beleden homoseksuele geaardheid
  • en de werkman die ‘steeds ongewenster’ was ‘in openbare ruimten’, antwoord ‘roker’, is natuurlijk dezelfde sigarenliefhebber.
  • in ‘verbaasd dat je op dit moment geen energie hebt’ lijkt Steenhuis zich direct tot de ziel van de vermoorde politicus te richten
  • Fortuyn had inderdaad een ‘te ambitieus programma’ dat inderdaad ‘geen haalbare kaart’ is gebleken
  • Volkert van der Graaf, die voor de moord is veroordeeld en aan wie de schoten door hoofd en nek van Fortuyn worden toegeschreven, heeft de al te ambitieuze politicus inderdaad ‘passend’, dat wil zeggen verdiend, ‘getatoeëerd’
  • Zo vlak voor een voorspelde verkiezingsoverwinning, is het inderdaad ‘zuur’ dat de politicus geen winnaar, maar ‘verliezer’ is geworden. Want met zes kogels in je lijf, kun je natuurlijk moeilijk een regering vormen
  • Een ‘ruimtewandeling’ is inderdaad wat Fortuyn in het hiernamaals aan het maken was op dat moment
  • ‘Verhip’ en ‘Nou moe’ bagatelliseren het misplaatste verdriet om het verlies van de politicus, net zoals de Krekel op de voorpagina van het NRC Handelsblad een dag eerder deed (‘Nederland schiet vol’ door ‘W.A. Treurniet’ uit ‘Rotterdam’), waar trouwens ook een beetje de stoute signatuur van Steenhuis aan af te lezen valt
  • en de oplossing ‘Lijst’ voor de omschrijving ‘Partijkader’ heeft natuurlijk betrekking op de enkele weken daarvoor door Fortuyn haastig in elkaar geflanste politieke partij Lijst Pim Fortuyn, die zijn naam droeg.

Tot zover de Sardonische Scrypto.

 

Donald Trump moet folterpraktijken afschaffen

Aangezien ons blog de kandidatuur van Trump voor het presidentschap van de Verenigde Staten van Amerika voorspeld en gesteund heeft, is het nu onze verantwoordelijkheid om te wijzen op de donkere kant van het beleid van deze kandidaat.

Het belangrijkste kritiekpunt op de beleidsvoornemens van Donald Trump, is in de Nederlandse media niet tot nauwelijks aan bod gekomen.

Trump heeft namelijk desgevraagd verklaard dat hij ondervragingstechnieken als waterboarding, stresshoudingen en dergelijke niet gaat afschaffen, maar juist gaat uitbreiden.

De voormalige marinier (Navy Seal) en gouverneur van Minnesota Jesse Ventura heeft zichzelf laten waterboarden om te zien of het echt als foltering kon worden beschouwd en heeft na afloop verklaard dat waterboarden pure foltering is. Ventura noemt waterboarden een “oorlogsmisdaad”, waartoe je je niet moet verlagen als land of als opperbevelhebber. En al helemaal niet als soldaat, die een eed heeft gezworen op de grondwet.

In Hollywoodfilms en Amerikaanse televisieseries is het nog erger. De een na de andere populaire acteur en actrice laat zich door geld of ijdelheid omkopen om het martelen bij het filmpubliek acceptabel te maken. Bruce Willis, Denzel Washington, Jack Bauer, de lijst is eindeloos.

Overheden, dan wel samenlevingen die folteren zijn een nachtmerrie, een eindpunt van de morele ontwikkeling van een volk of een land. Dat mag je nooit toestaan. Als Amerikanen toestaan dat hun regering onschuldige, of zelfs schuldige personen foltert, verliest het land zijn karakter en de morele superioriteit die het in bepaalde opzichten heeft ten opzichte van de rest van de wereld. Daarmee verliest het zijn ziel.

De VS zijn the home of the brave and the land of the free, niet de Capitol uit de Hunger Games.

De VS zijn een van die landen, die in laatste instantie door moraliteit bijeengehouden worden. Niet door bloed, herkomst, religie of ideologie, maar door gezamenlijke waarden, zoals die zijn vastgelegd in de Onafhankelijkheidsverklaring (Declaration of Independence), de Grondwet (Constitution) en de Amendementen (Bill of Rights) van de Verenigde Staten, waarin de individuele rechten worden uitgewerkt. Je kunt ook zeggen: door een geheel aan randvoorwaarden dat de ontwikkeling van het individu wil faciliteren.

Wat dat betreft lijkt het op Frankrijk, dat wordt gedefinieerd door de “republikeinse waarden” (“valeurs republicaines”), samengevat als “vrijheid, gelijkheid en broederschap”. Het verschil is dat de VS aan die gezamenlijke waarden een sterke toekomstgerichtheid hebben gegeven door aan de “onvervreemdbare rechten” van Leven en Vrijheid, die in de Onafhankelijkheidsverklaring in navolging van de filosofie van John Locke zijn vastgelegd, het beginsel van “pursuit of Happiness” toe te voegen. Oftewel de mogelijkheid voor elke Amerikaan om zich te ontplooien.

Het folteren van personen, omdat een opsporingsambtenaar roept dat ze verdacht zijn van terreur, stelt het principe van willekeur in de plaats van dat van de heerschappij van de wet. Nog los van het feit dat 9 van de 10 verdachten van terreur onschuldig zijn. Het is tevens het absolute tegendeel van het principe van ontwikkeling van het individu. Het is een poging om het individu mentaal, emotioneel en fysiek kapot te maken.

Folteren ontmenselijkt de hele maatschappij die het praktiseert. Een samenleving die onschuldige mensen martelt, verdient het om zelf vernietigd te worden. Niet door mij en niet door U, maar door de krachten die worden losgemaakt en die zich uiteindelijk tegen die samenleving zelf keren.

Als het bindmiddel van een land bestaat uit morele waarden in plaats van bloedbanden, dan is het zo dat het schenden van die morele beginselen tot desintegratie van de eigen maatschappij leidt.

Als Donald Trump daadwerkelijk alle Amerikanen wil verenigen, – en we hebben geen reden om aan te nemen dat zulks niet het geval is -, dan moet hij de verwerpelijke praktijk van het folteren van verdachten verbieden. Doet hij dat niet, dan graaft hij zijn eigen politieke graf en zal het zover komen dat verschillende Amerikaanse staten zich gaan afscheiden.

Oorlogsopbouw gaat door

De benoeming van de voormalige secretaris-generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) Anders Fogh Rasmussen tot adviseur van de regering van Oekraïne, is de laatste in een reeks provocaties die bedoeld zijn om Rusland tot een aanval op Duitsland te bewegen.

De provocaties vinden hun oorsprong in de politieke invloed van de neoconservatieven, het zogeheten militair industrieel complex en “rogue factions” binnen de inlichtingendiensten in de Verenigde Staten van Amerika. Daar lijkt de traditionele strategie van het Britse Rijk van peace at home, war abroad in volle glans in werking te zijn.

Buitenlandse oorlogen zorgen ervoor dat de concurrentiestrijd tussen grootmachten om gebied en grondstoffen ver van huis plaats vindt en ze zijn goed voor de economie, omdat de industrie volle kracht aan de slag moet om de “war effort” te ondersteunen. Oorlog zorgt voor banen en is goed voor de positie en expansie van bepaalde grote Amerikaanse bedrijven.

Die grote bedrijven hebben traditioneel ook weer invloed op het buitenlandse beleid van de Verenigde Staten, namelijk via de bijdragen die zij leveren aan de verkiezingskas van Amerikaanse presidentskandidaten. In ruil daarvoor is het een ongeschreven regel dat de president later vertegenwoordigers van de lobby’s van die “corporations” benoemt op overheidsposities op beleidsterreinen waar zij aanzienlijke belangen hebben. Een bijdrage in de verkiezingskas wordt bijvoorbeeld niet zelden beloond met een ambassadeurspost in belangrijke staten.

De NAVO is in april 1949 opgericht als uitvoerende organisatie van het Verdrag van Washington dat strekte tot militaire samenwerking tussen Noord-Amerikaanse landen en Europese staten. De militaire alliantie die door de Tweede Wereldoorlog noodzakelijk was geworden, werd na de oorlog in vredestijd voortgezet en kreeg een permanent karakter.

Aanvankelijk had de NAVO een defensief karakter, dat wil zeggen dat het hoofddoel wederzijdse verdediging tegen de dreiging van de communistische landen was, die door de oorlog was toegenomen, omdat de oostelijke helft van Europa door het Rode Leger veroverd was en daar communistische eenpartijstaten waren geïnstalleerd die in de praktijk richtlijnen van Moskou opvolgden.

De dreiging was in militaire zin reëel, want de communistische landen beschikten over een aanvallende militaire doctrine en een overmacht aan conventionele wapens.

In economisch en technologisch opzicht was dat anders, want we weten inmiddels door het voortreffelijke werk van bijvoorbeeld Anthony Sutton en Vladimir Boekovski dat het communistische regime in de Sovjet-Unie vanaf het begin is ondersteund door facties binnen de Amerikaanse en Britse regering, diplomatie, financiële wereld en grote bedrijven.

Men had dus belang bij deze grootse tegenstelling, bij het ontstaan en voortduren van de politieke en ideologische concurrentiestrijd tussen het vrije westen en het communistische blok. Een van de “voordelen” was dat Europa militair afhankelijk bleef van de VS.

Dankzij genoemde auteurs hebben we nu een redelijk beeld van de omvang van de clandestiene westerse hulp aan de communistische dictatuur en kunnen we stellen dat de sovjet-economie in feite voortdurend afhankelijk geweest is van buitenlandse steun. Daaruit volgt dat de westerse elites het systeem van communistische staten praktisch op elk moment hadden kunnen laten instorten, simpelweg door de technologische, financiële en economische steun in te trekken.

Boekovski stelt zelfs dat de val van de Berlijnse Muur in feite 10 jaar uitgesteld is door middel van leningen van westerse banken aan Oost-Europese regeringen in de jaren ’60 en ’70 en aan de Sovjet-Unie in de jaren ’80. Ook is inmiddels bekend dat vertegenwoordigers van de internationale financiële wereld in de jaren ’70 villa’s in Praag gebruikten voor clandestiene ontmoetingen met communistische leiders.

Op strategisch niveau is het voortduren van de Russische dreiging dus altijd vanuit het westen gewild geweest, waardoor men zich kan afvragen of er niet een soort noodrem is geweest, waardoor de dreiging in feite minder actueel was dan zij leek. Een aanval van het Warschaupact op West-Duitsland zou immers het einde van de clandestiene, maar onmisbare steun aan de Sovjet-Unie en haar satellietstaten hebben betekend.

Na de uitgestelde val van het communisme in 1989 viel de rechtvaardiging onder het Verdrag van Washington weg. De NAVO bleef echter bestaan. Het bondgenootschap had geleidelijk aan afgebouwd moeten worden, maar dat is niet gebeurd, want dan was de politieke invloed van de VS op Europa komen te vervallen.

Daarmee werd de kiem gelegd voor de Derde Wereldoorlog, die voortkomt uit de Tweede Wereldoorlog, die weer een gevolg is van de vredesverdragen en ideologieën die uit de Eerste Wereldoorlog zijn ontstaan.

Het bondgenootschap breidde zich bovendien uit naar de grenzen van Rusland doordat voormalige communistische landen als Polen, Hongarije en Roemenië lid werden.

Dit niettegenstaande de belofte van de Amerikaanse regering aan de toenmalige Russische president Michail Gorbatsjov dat de NAVO zich niet oostwaarts van de voormalige Duitse Democratische Republiek zou uitbreiden.

De NAVO veranderde niet van naam, maar wel van karakter: van een defensieve organisatie veranderde zij stilletjes in een expansionistische, imperialistische organisatie.

Momenteel hebben de voormalige Europese grootmachten Frankrijk, Duitsland en Verenigd Koninkrijk in feite geen onafhankelijk buitenlandse politiek meer. Zij zijn feitelijk vazallen van Washington geworden en werken mee aan een koers die slechts kan leiden tot een militair conflict met Rusland.

Om zo’n conflict te vermijden moet Europa zich emanciperen van het Amerikaanse buitenlandse beleid en zich richten op vrede met Rusland en goede betrekkingen met de Angelsaksische landen.

Waar het belang van Europa namelijk is om het continent tegen een eventuele Russische aanval te beschermen, althans aan de buitengrenzen te doen plaatsvinden, is het belang van de VS om het Russische leger tot aan het hart van Europa te laten doorstoten, zodat het kan worden afgesneden, omsingeld en vernietigd. Want alleen zo kan Rusland als rivaal worden uitgeschakeld.

Het Europese belang is dus om in vrede met Rusland te leven en met Rusland handel te drijven, zonder de eigen defensie te verwaarlozen.

Het belang van de VS is echter om te voorkomen dat Europa en Rusland langere tijd in vrede en voorspoed met elkaar leven, omdat het zwaartepunt van de wereldhandel dan geleidelijk aan zou verschuiven van de periferie naar het Euraziatische continent.

Heeft Europa er dus belang bij om een oorlog met Rusland te voorkomen, dan wel aan de oostgrens van Polen op te vangen, de VS spinnen garen bij een succesvolle aanval van Rusland op een tandeloos Europa.
Het Russische leger moet immers ver Europa ingelokt worden, zodat het in zijn totaliteit kan worden vernietigd.

Om een land substantieel te verzwakken en dus te elimineren als concurrent, moet een oorlog lang duren en veel verwoesting aanrichten. Dat is dezelfde logica als die achter het besluit van de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt in januari 1943 om een onvoorwaardelijke overgave te eisen van het nationaal-socialistische Duitsland. Daardoor besloten ook de minder fanatieke Duitse officieren om tot het einde door te vechten, omdat ze niet wilden dat Duitsland een soort kolonie zou worden.

Het is ook dezelfde logica achter het beleid van de geallieerde opperbevelhebber, de “politieke” generaal Dwight Eisenhower, die ervoor zorgde dat de “militaire” generaal George Patton de oorlog niet al in de herfst van 1944 besliste, toen hij binnen twee weken in Berlijn had kunnen staan.

Rusland is de afgelopen 16 jaar wederopgestaan als regionale en mondiale grootmacht. Het is bereid om compromissen te sluiten, maar weigert om de facto tot een vazalstaat van Washington te worden.

Het is binnen die speelruimte dat geprobeerd wordt om Rusland met allerlei provocaties te tergen. De benoeming van Rasmussen tot adviseur van de Oekraïense regering heeft dan ook vooral een symbolische waarde: een voormalige secretaris-generaal van de organisatie die door Rusland als expansief en bedreigend wordt beschouwd, gaat invloed uitoefenen op het beleid van buurland Oekraïne. Dat is een slag in het gezicht van de Russische regering. En zo is het ook bedoeld.

Deze stap volgt op een andere provocatie eerder deze maand, namelijk het aanzetten van het antiballistische raketschild in Deveselu in Roemenië, dat zogenaamd tegen Iraanse raketten, maar in werkelijkheid tegen Rusland is gericht.

Aangezien de politiek van nucleaire afschrikking onder de regering van George Bush junior is vervangen door die van de preventieve nucleaire aanval, maakt Rusland zich terecht zorgen over de plaatsing van die wapensystemen.

Hoewel ook deze provocatie een sterke symbolische waarde heeft – Rusland kan het raketschild met één kruisraket uitschakelen – wordt daarmee toch een begin gemaakt met de ondermijning van de nucleaire afschrikking. Het lijkt het beleid te zijn om nog meer van dergelijke anti-raketschilden neer te zetten, waardoor de Russische koelbloedigheid nog meer op de proef gesteld zal worden.

Het feit dat Russische jagers rakelings langs Amerikaanse oorlogsschepen in de Baltische Zee scheren, moet dan ook gelezen worden als een poging om de Amerikanen te doen beseffen dat ze een uiterst gevaarlijk spel spelen. Het Russische geduld is misschien zo groot is als het land zelf, maar zelfs het uitgestrekte Russische land heeft grenzen.

Het “Nederlands” Instituut voor Internationale Betrekkingen

Een soeverein land maakt zelf zijn buitenlands beleid. Daarom is in de grondwet vastgelegd dat alleen burgers van het land functies kunnen bekleden in het openbaar bestuur of zich verkiesbaar mogen stellen. Een Spanjaard mag bijvoorbeeld geen ambtenaar worden voor de Nederlandse overheid. Dat mag pas als hij de Nederlandse nationaliteit verwerft, bijvoorbeeld door een huwelijk met een Nederlandse.

In de particuliere sector geldt dat niet. Een groot bedrijf mag gerust een buitenlandse directeur aantrekken, als die het meest geschikt is om het te leiden.

Als we de totstandkoming van het buitenland beleid van Nederland onder de loep nemem, stuiten we echter al snel op een zorgwekkende anomalie.

Hoe komt ons buitenlandse beleid tot stand?
In Nederland komt het buitenlands beleid inhoudelijk met name tot stand door twee instellingen. Ten eerste natuurlijk het departement van Buitenlandse Zaken dat onder verantwoordelijkheid valt van de Minister van Buitenlandse Zaken en ten tweede het “Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen” Clingendael.

Clingendael _ logo

Daar treedt direct een democratisch probleem op. Clingendael is namelijk een particulier instituut en ressorteert niet onder ministeriële verantwoordelijkheid, terwijl het wel gefinancierd wordt door de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie. Het heeft derhalve geen democratische of constitutionele legitimiteit.

Er staat nergens in onze grondwet: “De totstandkoming van het buitenlands beleid van het Koninkrijk de Nederlanden mag worden uitbesteed aan particuliere instellingen.” Er is ook geen nationale wet waarin Clingendael wordt aangewezen.

Het probleem is dus dat Clingendael een particulier instituut is dat niet onder democratische controle valt, maar wel in belangrijke mate het buitenlandse beleid mag vormgeven. Sterker nog, waar de uitvoerders van ons buitenlandse beleid op het departement zitten, heeft Clingendael het meeste invloed op de totstandkoming van de inhoud van het buitenlandbeleid.

Bovendien, en dat is minstens zo belangrijk, speelt het een cruciale rol in de opleiding van onze diplomaten. Dus het geeft hen de kennis en de waarden mee, waarmee ze later de belangen van Nederland in het buitenland moeten verdedigen. Als onze diplomaten bij het departement aankomen, zijn ze in menig geval reeds door Clingendael gevormd.

Kortom, Clingendael is van beide instellingen die zich met buitenlandbeleid bezig houden de meest invloedrijke.

Wie werken er bij Clingendael?
Daarom is het interessant om te kijken wie er nou bij Clingendael daadwerkelijk werkzaam zijn. Want dat zijn de mensen die het buitenlandse beleid schrijven, althans de beleidsopties prepareren waaruit het departement en uiteindelijk de minister later kan kiezen.

Clingendael heeft allerlei personen in dienst die het op zijn website “experts” noemt, die zich met diverse onderdelen van de buitenlandse betrekkigen bezig houden. De laatste keer dat we de website bekeken, waren dat er vijfennegentig. The devil is in the detail, dus laten we de lijst eens aflopen.

Ivan Briscoe. Maar Ivan is een Brit, aan zijn accent te horen. Waarom schrijft een Brit mee aan ons buitenlands beleid, oftewel aan hoe ons land zich moet opstellen ten opzichte van andere landen om de belangen van zijn inwoners optimaal te behartigen? Is een Brit niet veel eerder geneigd om zaken te suggeren die gunstig zijn voor de positie van zijn land in de internationale verhoudingen?

Dat zouden we hem niet kwalijk kunnen nemen. Daarmee is hij alleen maar een goed patriot. Stel, in tegendeel, dat hij juist goede suggesties doet voor een succesvol Nederlands buitenlands beleid, dan is het onvermijdelijk dat het belang van Nederland op bepaalde punten strijdig is met dat van Groot-Brittanië. Als hij dus goed zijn werk doet, is het dus onvermijdelijk dat hij vroeg of laat tegen de belangen van zijn vaderland moet adviseren. Briscoe kampt dus met een dubbele lojaliteit, met een conflict of interest. Dat is de reden dat onze grondwet stelt dat het buitenlands beleid van ons land door Nederlanders gemaakt moet worden.

Terug naar zijn positie bij het “Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen”. Briscoe houdt zich bezig met “security & justice”, dat wil zeggen “veiligheid en justitie”, maar hebben we daar niet al een instelling voor, namelijk het Ministerie van Veiligheid en Justitie? Dus, met alle respect voor zijn werk, dat er overigens goed uitziet, deze Brit is hier niet op zijn plaats.

De volgende expert is Grégory Chauzal. Hij houdt zich bezig met “policy debates”. Dus, deze Fransman helpt ons ermee, hoe we moeten debatteren over ons beleid. Opnieuw met alle respect, hebben we daar een Fransman voor nodig? Is er niemand temidden van de 17 miljoen Nederlanders die ons daarmee kan helpen?

Het belangenconflict is in het geval van Chauzal nog scherper, want het betreft een voormalige ambtenaar van het Franse ministerie van Defensie.

We gaan goedmoedig verder. Ragnhild Drange is assistent voor “conflict and fragility”. Zij heeft Noors als moedertaal, – nationaliteit wordt op de website van Clingendael stelselmatig verzwegen, dus we moeten het doen met secundaire indicatoren als opleiding en moedertaal – “working knowledge” van het Nederlands, maar ziet er sympathiek uit. Daarom wordt ze door de Nederlandse belastingbetaler in staat gesteld om aan ons buitenlandbeleid mee te werken.

Verder.

Marianne Ducasse- Rogier helpt ons met “diplomacy and foreign affairs”. Met alle respect voor deze sympathieke Française, wat heeft zij zich met de Nederlandse diplomatie en het Nederlandse buitenlandbeleid te bemoeien?

Diana Goff houdt zich als “research fellow”, net als senor Briscoe, bezig met “security & justice”. Deze sympathieke dame lijkt op basis van haar CV in de Verenigde Staten van Amerika te zijn geboren en getogen en mag nu mede ons veiligheidsbeleid vormgeven. Waarom?

Mariana Gomez Neto lijkt ondanks haar Spaanse naam gewoon Nederlands te zijn, hoewel ook haar nationaliteit op internet taboe lijkt te zijn, en dus gaan we verder met

Nick Grinstead, project assistant voor “conflict & fragility”. Nick is Amerikaan, naar het zich laat aanzien, maar ook hij heeft zijn nationaliteit zorgvuldig verborgen. Elders op internet zegt hij over zichzelf: “He speaks English, Levantine Arabic, intermediate Swedish and basic Spanish and French. He currently resides in Sweden and enjoys a good club sandwich.” Dus we mogen wel weten wat zijn favoriete lunchgerecht is, maar niet van welk land hij burger is. En opmerkelijk genoeg spreekt deze polyglot geen Nederlands.

Shaun Riordan heeft zestien jaar (sic!) in Britse diplomatieke dienst gewerkt, is woonachtig in Madrid en houdt zich nu bij het “Nederlandse Instituut voor Internationale Betrekkingen” bezig met “diplomacy & foreign affairs”. Men zou zeggen dat hij als voormalige Britse diplomaat en voormalig ambtenaar van het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken elke zweem van partijdigheid moet mijden en zich niet moet bemoeien met de Nederlandse diplomatie.

Iemand anders die zich met ”diplomacy & foreign affairs” bezig houdt, is een project-assistent met de klinkende naam Francesco Saverio Montesano. Ook hier verzwijgt de website nationaliteit en herkomst, terwijl hij werkt in een van de weinige functies in ons land – namelijk als medewerker van het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen – waar dat juist wèl belangrijk is. Ook op LinkedIn vezwijgt hij zijn nationaleit, maar de klinkende naam en het diploma van een Liceo Classico in Rome doen vermoeden dat het niet om een Fin gaat.

Dan gaan we verder met Megan Price, “research fellow”. Zij houdt zich ook al bezig met “security & justice”, een populair onderzoeksveld bij Clingendael. Het lijkt wel of er een heel parallelministerie van Veiligheid & Justitie functioneert.

De volgende buitenlandse expert is Mark Singleton, “director of ICCT” en bijdragend aan – het onderzoek naar – “security & terrorism”. Mark, die eerder voor Tony Blair in Jeruzalem werkte als “Acting Head of Mission at the Office of the Quartet Representative”, is nu directeur van het “International Centre for Counter-Terrorism” in Den Haag. Waarom staat ie dan op de Clingendael website als één van hun experts? En is terrorismebestrijding niet iets voor de veiligheidsdiensten of voor de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid? Aangezien Singleton ook voor het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken gewerkt, werpt zich de vraag op of deze Brit op dat moment de Nederlandse nationaliteit bezat, want als dat niet zo is, is dat een dubbele schending van de grondwet.

Sofia Zavagli houdt zich als Italiaanse bezig met het Nederlandse beleid ten aanzien van “security & terrorism”. Ze heeft sinds november 2015 drie teksten geschreven voor haar werkgever, maar allemaal coproducties. Het lijkt een gewoonte te zijn bij Clingendael dat rapporten meerdere auteurs hebben. Zo kun je dus nooit zien van wie een concrete bewering komt, wie het onderzoek achter een stelling daadwerkelijk heeft gedaan. Geen enkele auteur is individueel verantwoordelijk voor wat hij schrijft en auteurs dekken elkaar. De “policy brief” over de aanslagen in Parijs in november 2015 heeft bijvoorbeeld zes auteurs voor tien pagina’s tekst: behalve Zavagli zijn dat directeur Ko Colijn, Mark Singleton, Bibi van Ginkel, Grégory Chauzal, en Christophe Paulussen. Het document eindigt met een reeks “beleidsaanbevelingen”, maar je kunt dus niet zien wie die gedaan heeft en uit welk land ze stammen. Als je de zes auteurs gezamenlijk verantwoordelijk houdt voor de inhoud, hetgeen de bedoeling lijkt, zijn deze aanbevelingen echter mede gedaan voor een Brit, een Fransman en een Italiaanse.

Voorts stuiten we op Cecilia Albin (Zweden) en Mark Anstey (Zuid-Afrika) die ons helpen met “diplomacy & foreign affairs”, Nicole Ball (VS) houdt zich weer bezig veiligheid en justitie.

Tony Bass – die 30 jaar als ambtenaar voor de Ierse overheid gewerkt heeft (sic!) – doet “Europe” en “Euroforum” voor het Nederlandse Instituut voor Internationale Betrekkingen. Van Bass worden helemaal geen publicaties op de website genoemd.

Mai’a Davis Cross (VS) doet hetzelfde als Bass, maar dan doet er nog “diplomacy & foreign affairs” bij.

Guy Olivier Faure – volgens Wiki in 1943 geboren in Frankrijk – doet ook D&FA, maar doet er nog “international negotiation” erbij.

Dus we hebben een Fransman die uitvoerders van het Nederlandse buitenlandbeleid moet leren hoe ze met vertegenwoordigers van andere landen, Frankrijk bijvoorbeeld, moeten onderhandelen.

Verder met Fen Osler Hampson. Die doet hetzelfde als Faure. Hampson lijkt een Canadees te zijn, maar dat valt niet met zekerheid vast te stellen, want ook hij laat zijn nationaliteit op internet weg. Voor hem spreekt dat hij tenminste een serieuze publicatielijst heeft, zij het merendeels niet voor Clingendael. Dan springen we over Bertus Hendriks heen, – zoals we ook met de overige Nederlandse gedaan hebben -, en komen we bij Brian Hocking. Hocking doet ook D&FA, dus dat onderwerp is rijkelijk bedeeld met expertise. Hocking lijkt een Brit te zijn op basis van de gecensureerde CV’s die van hem op internet te vinden zijn.

Daarna komen we via Arjuna Kannangara (D&FA, waarschijnlijk Brit) en Mordechai Melamud (Israël, D&FA) bij Valerie Rosoux, een Belgische dame te oordelen naar haar gecensureerde CV die zich, needless to say, ook bezig houdt met “diplomacy & foreign affairs”. Opvallend is dat er slechts één publicatie van haar hand wordt genoemd, uit maart 2014, hetgeen suggereert dat ze de laatste twee jaar geen onderzoek heeft gedaan dat het waard is om gepubliceerd te worden.

Vervolgens komen we bij Rudolf Schüssler (D&FA, international negotiation) die in zijn onschuld in zijn biografie op de Clingendael-website per ongeluk zijn nationaliteit vermeldt. Daar zijn we deze sympathieke Duitse professor van de Universiteit van Bayreuth dankbaar voor.

Daarop volgt Paul Sharp (D&FA, dit keer zonder international negotiation). Lijkt een Brit, Amerikaan of Canadees te zijn, maar heeft ook zijn nationaliteit van internet weggemoffeld.

We gaan verder met Paul Shotton, een Brit die ons onderwijst over “Europe” en, leuke woordspeling, “Euforum”.

Dan nog wat Hollanders totdat we afsluiten met Sarah Wolff, die wederom Brits lijkt te zijn en zich bezig houdt met “Europe & Euroforum”, alsmede met “security & terrorism”) en I. William Zartman, een voormalige adviseur van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken.

Conclusie
Even tellen en dan blijkt dat er van de vijfennegentig experts liefst achtentwintig naar het zich laat aanzien niet over de Nederlandse nationaliteit beschikken.

Hier past maar een conclusie, namelijk dat een aanzienlijk deel van ons buitenlandbeleid inhoudelijk door buitenlanders wordt geschreven.

Dat is een duidelijke schending van onze grondwet en moet zo snel mogelijk rechtgezet worden.

Bevordert associatieverdrag handel en veiligheid?

Alexander Pechtold, fractieleider van Democraten 66, is een van de meest fervente voorstanders van het associatieverdrag tussen de Europese Unie en Oekraïne dat vandaag in een raadgevend referendum ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het Nederlandse volk. Een referendum waarvan Pechtold overigens de noodzaak helemaal niet inziet, waarmee maar weer eens blijkt dat bestuurlijke vernieuwing bij de D66 in werkelijkheid een wassen neus is – maar dit terzijde.

De afgelopen dagen was hij frequent te zien op televisie en te horen op de radio om zijn standpunt toe te lichten. Hij concentreerde zijn betoog daarbij op drie kernargumenten, namelijk:
1 – Handel
2 – Veiligheid
3 – Help “de jonge generatie” om zich te bevrijden van het verleden

De eerste twee argumenten willen de kiezer overtuigen dat het verdrag gunstig is voor zijn eigen belang doordat handel en veiligheid toenemen, de derde argument is altruïstisch en suggereert dat de Oekraïense jeugd zonder aansluiting bij de Europese handelsruimte veroordeeld is tot een terugval in de duisternis van het sovjet-verleden.

Met het laatste argument appelleert Pechtold aan de vanzelfsprekende wens van de post-68 generaties om zichzelf vrij te ontwikkelen en ook anderen daartoe grootmoedig in staat te stellen.

Laten we de kernargumenten van Pechtold nader beschouwen. Wat bedoelt hij met “de handel”?

De Nederlandse handel, waarschijnlijk. De buitenlandse handel. Maar Nederland handelt met bijna de hele wereld. Handel dus met wie? Met China? Met Canada? Met Suriname? Nee, Pechtold bedoelt de handel tussen Nederland en Oekraïne, dus een zeer klein aandeel van onze buitenlandse handel.

Is het associatieverdrag goed onze buitenlandse handel? Nee, natuurlijk niet. De handelsbetrekking met Rusland zullen namelijk juist te leiden hebben onder ratificatie en inwerkingtreding van het verdrag, en de handel met Rusland is vele malen groter dan die met de Oekraïne.

De buitenlandse handel zal er dus door geschaad worden. Significant en substantieel geschaad worden, als we het in D66-taal mogen formuleren.

En hoe zit het met de veiligheid? Wiens veiligheid? Artikel 4 lid 2f van het associatieverdrag stelt dat er “meer samenwerking tussen de partijen op het vlak van veiligheid en defensie” moet komen. Dat zou in de praktijk de vorm krijgen van gezamenlijke militaire oefeningen en geleidelijke integratie in de NAVO. Rusland ziet dergelijke oefeningen aan zijn grenzen als een provocatie. Als de tweede militaire mogendheid ter wereld door dergelijke oefeningen wordt geïrriteerd, hoe draagt zulks dan bij aan “de veiligheid”?

Het voorstel tot nauwere militaire samenwerking tussen de EU en Oekraïne is juist een voortzetting van de conflictstrategie die Europa sinds de wederopstanding van Rusland op het wereldtoneel volgt. Enerzijds is en blijft de Europese defensie kansloos tegen een mogelijke Russische aanval, omdat de strijdkrachten van de lidstaten decennialang zijn uitgekleed en bovendien worden opgeleid om “vredesmissies” buiten het continent uit te voeren en niet meer getraind zijn op het verdedigen van de eigen landsgrenzen. Anderzijds wordt Rusland steeds meer geprovoceerd met uitbreiding van de NAVO naar het oosten, met financiële en economische sancties wegens de “annexatie” van de Krim, met een kunstmatig lage olieprijs, met onnodig beledigende uitspraken door de presidentskandidate Hillary Clinton aan het adres van de president van de Russische Federatie Vladimir Poetin, et cetera.

D66 is geen voorstander van defensieve herbewapening van de Nederlandse strijdkrachten, maar wel van maatregelen die het militair superieure Rusland tot op het bot tergen. Het lijkt haast of de strekking van het beleid is om Rusland tot een wanhoopsactie tegen Europa aan te zetten, terwijl Europa door het gat in de anti-tankcapaciteit weerloos moet blijven tegen de Russische conventionele overmacht.

Ook het derde argument snijdt geen hout. Want welke “jonge generatie” kan zich door het associatieverdrag eigenlijk bevrijden van het verleden?

Oekraïne bestaat voor ongeveer de helft uit Oekraïners en voor de helft uit Russischtaligen. West-Oekraïne is traditioneel wat meer op het westen gericht, en Oost-Oekraïne wat meer op Rusland. Dat ging prima, zolang niet één van beide kanten de macht naar zich toe wilde trekken.

Onder het regime van Porosjenko zijn de taalrechten van de Russische gemeenschap echter aanzienlijk ingeperkt. Daarmee is een signaal afgegeven aan de Russische helft van de bevolking dat zij erop kunnen rekenen als tweederangs burgers behandeld te worden.

Sterker nog, de dag na het bezoek van Europarlementariërs Guy Verhofstad en Hans Van Baalen aan Kiev in 2014, nam het Oekraïense parlement een wet aan die de tweetaligheid van het land praktisch afschafte. Dit terwijl de Europese Unie nota bene officieel – let wel, officieel – het garanderen van taalrechten aan bijvoorbeeld de Hongaarse minderheid in Roemenië als voorwaarde had opgenomen voor het opnemen van dat land in de EU in 2007. Een sterk staaltje van Brusselse hypocrisie en amnesie zou een EU-scepticus dit wellicht noemen.

De wet werd later deels teruggedraaid, maar de boodschap aan de Russischtalige Oekraïners was duidelijk.

Waar dus de Oekraïense “jonge generatie” wordt bevrijd van het verleden, wordt de Russischtalige jonge generatie beroofd van haar toekomstperspectief. Sterker nog, zij wordt veroordeeld tot een toekomst onder het corrupte regime van premier Porosjenko, die er zijn hand niet voor omdraait om een voormalige buitenlands staatshoofd, Mikheil Sjaakisvili, een paspoort toe te stoppen en tot gouverneur van een Oekraïense provincie te maken die groter is dan zijn voormalige land Georgië. De ultieme vernedering voor de Russischtalige burgers van Oekraïne, dat zelfs een Georgiër met een buitenlands paspoort de voorkeur krijgt boven alle mogelijke Russischtalige kandidaten. Porosjenko, die zijn persoonlijke vermogen van 720 miljoen dollar tijdens zijn ambtsperiode met 20% heeft weten te vermeerderen.

De argumentatie van Pechtold draagt inhoudelijk niets bij tot verheldering van de kwestie waar morgen over gestemd wordt. Zij onthult echter haarfijn dat een politicus, mits hij sympathiek en gematigd is in zijn houding, ongestraft verregaand demagogie en volksverlakkerij kan bedrijven.

Recensie van Richard Cottrell’s “Gladio” – 1

De voormalige Britse europarlementariër Richard Cottrell heeft vorig jaar het buitengewoon interessante “Gladio – Nato’s dagger at the heart of Europe” uitgebracht. Het is een bijgewerkte versie van zijn eerder verschenen boek met dezelfde titel.

Het boek combineert drie zaken: ten eerste een overzicht van de activiteiten van het geheime partizanenleger dat de Britten reeds tijdens de Tweede Wereldoorlog onder de naam ‘Special Operations Executive” (SOE) in Europa hadden opgezet. Na de oorlog werd SOE gehandhaafd als “stay behind network”, dat wil zeggen een geheim leger dat na een mogelijke bezetting door de Sovjet-Unie contact moest opnemen met het hoofdkwartier en op het juiste moment sabotagedaden moest verrichten. Daartoe werden wapenvoorraden en communicatie-apparatuur op geheime locaties begraven.

Dit geheime leger werd uitgebreid naar meer dan vijftien landen, waaronder Groot-Brittannië, Nederland, België, Frankrijk, Duitsland en Italië. De geheime legers hadden in elk land codenamen, maar het geheel van de organisatie werd genoemd naar de Italiaanse afdeling die Gladio heette, naar het korte tweesnijdende zwaard van de gladiatoren.

Het Gladio-netwerk dwaalde af van zijn oorspronkelijke nobele en dappere doelstellingen – een beetje zoals de maffia, die begon als verzetsnetwerk tegen de centrale bezettingsautoriteiten op Sicilië, maar eindigde in drugshandel en andere georganiseerde criminaliteit – en nam gaandeweg het karakter aan van een privéleger van de elites, met name van het militair-industrieel complex.

Naast de taak van organiseren van verzet in geval van bezetting van West-Europa door de legers van het Warschaupact, kreeg Gladio de taak erbij om interne ondermijning van de staat tegen te gaan.

Deze taakomschrijving werd door criminele elementen in westerse regeringen, strijdkrachten, inlichtingendiensten en elitaire genootschappen zodanig opgerekt dat zij de rechtvaardiging vormde voor een serie bloedige aanslagen op burgerdoelen in Duitsland, België en Italië. Deze aanslagen werden vervolgens toegeschreven aan extremistische linkse en rechtse groeperingen.

Sterker nog, Gladio, dwz westerse militaire en civiele inlichtingendiensten, infiltreerden in extreem-linkse en extreem-rechtse groeperingen om die, indien dat nodig was, te radicaliseren en tot geweld aan te zetten.

Het doel was om de macht van het politieke centrum te verharden, en de opkomst van alternatieven, bijvoorbeeld de Italiaanse communistische partij, te verijdelen. Dat laatste is in strijd met de beginselen van een liberale maatschappij, want als de Italianen inderdaad “zo gek” waren geweest om via de stembus het eurocommunisme aan de macht te brengen, hadden zij zelf het recht moeten hebben om de gevolgen daarvan aan den lijven te ervaren. Elk mens heeft het recht op een foutje en elk volk heeft het recht op zijn eigen desillusie.

De bomaanslag op het station van Bologna op 2 augustus 1980 werd direct na de aanslag door de “christen-democratische” premier Francesco Cossiga toegeschreven aan de Italiaanse Rode Brigades. Al snel bleek echter dat de bomaanslag, – die aan 85 burgers het leven had gekost, waaronder vrouwen en kinderen -, door Gladio-officieren van de Italiaanse inlichtingendienst was georganiseerd en door de extreem-rechtse Nuclei Armatie Revoluzionari was gepleegd. De Italianen begrepen toen dat ze geregeerd werden door een “staat binnen een staat”.

De redactie heeft echter aanwijzingen dat deze neofascistische groepering mogelijk functioneerde als dekmantel voor de eigenlijke uitvoerder van de bomaanslag, die door de Nederlandse militaire inlichtingendienst zou zijn aangestuurd. Gezien de officiële geheimhouding rondom de militaire inlichtingendienst en de angst die zelfs vandaag de dag nog heerst onder voormalige agenten van Gladio, is het echter niet mogelijk om deze aanwijzingen te onderbouwen en zijn we aangewezen op de verklaring die een voormalige agent van Gladio in januari 2015 in een interview aan onze redactie heeft gedaan.

Gezien het feit dat bomaanslagen op burgers gelden als oorlogsmisdaad, dan wel als terroristische aanslag en dat die zaken niet verjaren, hebben wij de geluidsopname van het interview bij de Amsterdamse politie ingeleverd, met het voorspelbare resultaat dat die daar niets mee gedaan heeft. Het Amsterdamse corps is een van de slechtste van West-Europa en bestaat, naast een kern van voortreffelijke rechercheurs, uit een meerderheid van lakse risicomijders die een doortastende aanpak afdoen als oncollegiaal.

Toen de redactie op 27 januari jl de straat inreed, waar de Gladio-veteraan woonde, werd onze Suzuki Swift hard geramd door een wit bestelbusje dat de rijbaan versperde, achteruit raasde en de andere weghelft op draaide precies op het moment dat onze Swift een inhaalmanoeuvre inzette, met een schade van 3000 euro tot gevolg.

Dat zal ongetwijfeld toeval zijn, maar als je het in een thriller zou lezen, zou je denken dat het een waarschuwing was om niet meer met deze Gladio-veteraan te gaan praten.

De Gladio-agent zelf is op zijn vingers getikt en ziet ondanks herhaaldelijke verzoeken onzerzijds af van verdere interviews. Het betreft een door en door immoreel persoon die bekend heeft vrouwen en kinderen te hebben vermoord, maar er prat op gaat daar geen spijt van te hebben, die vanaf zijn balkon kindertjes filmde, zodat hij gesommeerd werd om de webcam te verwijderen en die merkwaardig genoeg in 2006 voorkwam op de ledenlijst van een bekende Amsterdamse vrijmetselaarsloge. Kortom, een psychopaat met mogelijk een sadistische persoonlijkheidsstoornis, die zijn best doet om zich te vermommen als een fatsoenlijke burger.

Het is bekend dat bepaalde Westerse inlichtingendiensten in de jaren ’60 en ’70 doelbewust psychopaten hebben opgeleid. Dat is begrijpelijk. Om een reguliere terrorist te doden, heb je een gemotiveerde soldaat nodig, maar om een groep burgers op te blazen in het kader van een “strategy of tension” door geheime diensten van NAVO-landen, heb je een volslagen gestoorde psychopaat nodig.

Dat wordt geïllustreerd door het bezoek van Eisenhower, Bradley en Patton aan het concentratiekamp Ohrdruf nabij Buchenwald. Daar lagen doodgehongerde lijken opgestapeld in kamers. Patton, die opschepte dat hij bij zijn veldslagen meer Duitse soldaten over de kling joeg dan menig andere generaal, weigerde om daar naar binnen te gaan, omdat hij dan zeker zou moeten overgeven.

De soldatenmoraal verdraagt geen zinloze wreedheden tegen burgers in vredestijd. Daarvoor moet je psychopaten in dienst nemen.

Het standaardwerk over Gladio, NATO’s Secret Armies: Operation Gladio and Terrorism in Western Europe (London 2004), is overigens geschreven door de de Zwitserse historicus Daniele Ganse, die later ook een kritische analyse heeft geschreven van het officiële rapport over 9/11.

De toegevoegde waarde van het werk van Cottrell is dat dit het fenomeen Gladio – de meest vergaande aantasting van de rechtstaat in West-Europa sinds de Tweede Wereldoorlog – combineert met onderzoek naar de aanslagen in Londen, Madrid en Parijs (januari en november 2015) die in de 21e eeuw zijn gebeurd.

De reden dat het onderwerp Gladio nog steeds zo gevoelig ligt, dat onderzoekshandelingen anno 2016 nog manu militari worden ontregeld, is dat het hoofdstuk Gladio geen afgesloten historisch onderwerp vormt, maar dat er naar alle waarschijnlijkheid een continuïteit tussen de activiteiten van het netwerk in de jaren 1970 en 1980 is, en de actualiteit van 2001 tot 2016.

Gladio ís waarschijnlijk nog helemaal geen geschiedenis, maar onderdeel van de actualiteit en probeert de maatschappij opnieuw te destabiliseren door in scène gezette terroristische aanslagen, die dit keer aan islamitische terroristen worden toegeschreven.

Dát is de verdienste van het boek van Cottrell. De auteur trekt enkele overtuigende parallellen tussen de Gladio-aanslagen tijdens de Koude Oorlog en die in de “nieuwe” koude oorlog tegen radicale islamitische terroristische organisaties als Al Qaeda en Islamitische Staat.

Een derde zaak waardoor het boek van Cottrell opvalt, naast het historische overzicht van Gladio en de verbinding die hij legt met de huidige maatschappij, die opnieuw in angst voor aanslagen leeft en opnieuw kritiekloos allerlei burgerlijke vrijheden inlevert, is zijn centimeters dikke linkse bril.

Zoals elk onderzoek kritisch bekeken moet worden, juist als het waardevolle nieuwe elementen aandraagt, zo valt hier op dat linkse terroristen geen terroristen, maar “Marxist urban guerilla’s” genoemd worden; dat bij de grote tirannen van de 20e eeuw wel Franco en Salazar worden genoemd, maar linkse mmassamoordenaars als Stalin en Mao, die Hitler met een factoor 3 hebben overtroffen, niet; dat Cottrell beweert dat de Russische dreiging tijdens de Koude Oorlog niet bestond en op bluf berustte, terwijl het Warschaupact in de jaren ’80 beschikte over het astronomische aantal van 60.000 tanks, dat hij Ronald Reagan neerzet als een van de grootste rampen die het Westen overkomen is, terwijl we aan deze president de val het communisme te danken hebben, dat bij linkse politici ondanks de massamoorden nog op te veel sympathie kon rekenen; dat de held van de Hongaarse Opstand Imre Nagy een “agent van de CIA” wordt genoemd; dat de CIA verregaand invloed heeft uitgeoefend op het maatschappelijke leven, maar de KGB kennelijk niet; dat linkse scheldwoorden als “Viktator” voor de keurige Hongaarse premier Viktor Orbán zelfs in de namenindex zijn opgenomen (!), etc. Zodanig dat je bijna gaat denken dat Cottrell het jammer vindt dat het communisme gevallen is. Het blijft vreemd voor een man die officieel te boek staat als “conservatief”.

Dat gezegd hebbende, blijft het een absolute must read voor een ieder die het verschil wil leren kennen tussen échte islamistische aanslagen en daadwerkelijke islamitisch gevaar enerzijds, en de mate waarin anderzijds de islamitische dreiging gebruikt, versterkt en zelfs gecreëerd wordt door de westerse elites, met name het militair-industrieel complex.

Toetreding Oekraïne slecht idee – 3

Een verdere zeer belangrijke reden om Oekraïne geen kandidaat-lid van de Europese Unie te maken, ligt in de bijzondere sociaal-economische omstandigheden van het land.

Oekraïne is een post-communistisch land dat langer dan andere landen, langer zelfs dan Rusland, heeft gewacht met markthervormingen en democratisering. De Oekraïners hebben in december 1991 met overweldigende meerderheid voor onafhankelijkheid gestemd en in de eerste jaren prioriteit gegeven aan zogeheten nation building boven economische hervormingen. Dat blijkt onder andere uit het feit dat de EU Oekraïne pas in 2005 (!) heeft erkend als “markteconomie” en de VS pas in 2006.

In de jaren ’90 werd het land leeggeplunderd door oligarchen die allerlei goederen tegen door de overheid vastgestelde prijzen inkochten, en met aanzienlijke winsten op de wereldmarkt (door)verkochten. Een twintigtal oligarchen bezat omstreeks 40% van de Oekraïense economie.

De rijkste oligarchen hielden zich niet bezig met productie, maar met doorverkopen van gas.

Mede daardoor is de economische groei eigenlijk pas vanaf het jaar 2000 op gang gekomen. Ook die groei was aanvankelijk eenzijdig. De Zweedse econoom Anders Aslund wijst er in zijn standaardwerk Ukriane. How Ukraine became a market economy and democracy op dat de oligarchen die tot 1999 rijk werden met “arbitrage” in de handel van gas, vanaf 2000 rijk werden door de productie van staal. Daardoor ontstond in macro-economische zin weliswaar meer concurrentie en productie, maar het hielp niet bij het ontstaan van een middenklasse en de “gewone man” profiteerde er nauwelijks van.

De huidige president Petro Poroshenko is een van die oligarchen. Hij is rijk geworden door andere het bedrijf Roshen, dat suikergoed produceert, waaraan hij zijn bijnaam “Chocoladekoning” dankt. In maart 2012 werd zijn vermogen door Forbes geschat op 1 miljard dollar.

Roshen

Porosjenko is echter bij lange na niet de rijkste. Dat is Rinat Achmetov met een geschat vermogen van 6,5 miljard dollar. Akhmetov is eigenaar van voetbalclub Shakhtar Donetsk en zit in mijnbouw, financiële dienstverlening, verzekeringen, media, telecommunicatie en onroerend goed.

De oligarchen hebben ook hun eigen “facties” in het parlement, waar zetels te koop zijn voor de hoogste bieder.

Terwijl Oekraïne dus een twintigtal van de rijkste mensen van Europa kent, staat het land op plaats 108 van de lijst van het Internationaal Monetair Fonds van rijkste landen ter wereld, nog onder landen als Namibië, Swaziland en Botswana.

Oekraïne heeft geen politicus van het type Vladimir Poetin gehad, die de macht van de oligarchen heeft gebroken en de belastinginning ter hand genomen heeft – de belastingpolitie in Rusland komt desnoods langs met automatische geweren – en de inkomsten van de staat heeft hersteld.

Mouwinsigne van de Russische Belastingpolitie
Mouwinsigne van de Russische Belastingpolitie

Oekraïne heeft ook geen gas- en olievoorraden die het kan verkopen op de wereldmarkt. In tegendeel, het verkeert in een positie van “strategische afhankelijkheid” van Russische olie- en gasleveranties. Als het lange tijd de rekening niet betaalt, of Rusland anderszins te veel tergt, gaat midden in de winter overal het licht en de verwarming uit.

Aangezien de Oekraïense overheid door de invloed van de oligarchen op het parlement onvoldoende belasting kan heffen over de meest productieve sectoren van de economie, is Oekraïne financieel afhankelijk van leningen van het IMF. Oekraïne heeft in 2008 een IMF-lening van 16,4 miljard dollar toegezegd gekregen, en in juli 2010 opnieuw een lening van 15,15 miljard dollar. In maart 2014 werd een reddingspakket van 14 tot 18 miljard dollar toegezegd.

Een deel van het IMF-geld wordt echter niet geïnvesteerd in de economie, bijvoorbeeld in het verhogen van de productiviteit, maar besteed aan de burgeroorlog.

Het IMF overweegt niettemin om Oekraïne nieuwe leningen te geven en overtreedt daarmee haar eigen “No More Argentina’s”-regel uit 2001 dat je geen geld aan landen moet lenen, als er geen vooruitzicht is dat zij het terug kunnen betalen. Het lijkt er dan ook op dat het IMF onder voorzitterschap van Christine Lagarde – voormalig Frans minister van Economische zaken en Amerikaanse marionet – onder druk van het US State Departement de oorlog van de pro-westerse Oekraïense regering tegen de Russischtalige bevolking van Oost-Oekraïne aan het financieren is.

Kijken we naar de toetreding van een post-communistisch land als Roemenië in 2007, dan kan dat – met alle respect voor land, volk, taal en cultuur van de Roemenen – in economisch opzicht geen wederzijds succes genoemd worden. Er werken momenteel 3 miljoen Roemenen in andere lidstaten van de EU, terwijl er nauwelijks burgers uit andere lidstaten in Roemenië werkzaam zijn. Nederland telde in 2013 volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek 5800 Roemenen die verdacht werden van een misdrijf, terwijl er nauwelijks Nederlandse criminelen in Roemenië zijn. Kortom, het principe van reciprociteit werkt absoluut niet.

Roemenië is een door en door corrupt land. Ook essentiële Europese waarden als taalkundige en andere rechten voor minderheden worden in de praktijk niet nageleefd. In 2013 werd de Nederlander Gabor Landman op een Roemeens politiebureau geslagen en geboeid, omdat hij uitgeprobeerd had of het recht om de politie in het Hongaars te woord te staan in een gebied waar de Hongaarse minderheid woonde, in de praktijk functioneerde.

Als de toetreding van Roemenië al zo problematisch is verlopen, wat mogen we dan van Oekraïne verwachten?

De Oekraïense economie is er nog slechter aan toe dan de Roemeense en heeft minder uitzicht op herstel. Oekraïne is nog corrupter dan Roemenië. De huidige Oekraïense regering heeft zo weinig respect voor de Russischtalige bevolking aan de dag gelegd dat twee oostelijke regio’s zich hebben afgescheiden en het land sinds maart 2014 in staat van burgeroorlog verkeert.

De EU is niet in staat om de Oekraïense economie te integreren. Nog ongeacht de zorgwekkende economische toestand van landen als Griekenland, Spanje, Portugal en Italië, en de miljoenen asielzoekers die momenteel de Noord-Europese landen trachten te bereiken. Zelfs een EU in optima forma zou dit economisch inefficiënte, juridisch krachteloze en politiek instabiele brok niet kunnen verteren.

Toetreding Oekraïne slecht idee – 2

Een tweede reden waarom toetreding van de Oekraïne tot de Europese Unie geen goed idee is, is simpelweg het feit dat daardoor een “ledemaat” van het mystieke lichaam van het Russische volk zou worden afgerukt.

Naar schatting 40% van de Oekraïense bevolking is Russischtalig. Dat komt neer op ongeveer 18 miljoen zielen. Met de Oekraïne zou de EU tegelijkertijd dus een enorme Russische minderheid binnen de grenzen halen. Een minderheid waarvan een deel – de regio’s rond Donetsk en Loegansk – zich uit protest tegen het centralisme van Kiev reeds hebben afgescheiden.

De beide republieken hebben zelfs aansluiting met Rusland gevraagd, maar dat verzoek is door de lankmoedigheid van de Russische president Vladimir Poetin niet doorgegaan.

De Russen in Oekraïne zouden in één klap de grootste minderheid binnen een lidstaat van de EU worden, waarmee de EU een minderhedenprobleem van ongekende proporties zou binnenhalen.

De EU heeft overigens reeds een Russische minderheid van in totaal 1 miljoen, namelijk in de Baltische staten. Deze minderheid voelt zich in politiek, economisch en cultureel opzicht al twintig jaar gemarginaliseerd, dus daar kan men niet van een geslaagde integratie spreken.

De grenzen van de EU zouden in één klap meer dan 800 km (!) naar het oosten opschuiven. De stad Loegansk ligt strikt genomen zelfs oostelijker dan Moskou.

Qua oppervlakte zou de Oekraïne – als we de overzeese gebiedsdelen van Frankrijk niet meetellen – direct het grootste land van de EU worden. Qua inwonertal zou het met zijn 45 miljoen inwoners op de zesde plaats komen, na Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, Italië en Spanje.

Gezien de historische banden tussen de twee landen – Oekraïne was van 1569 tot 1648 onderdeel van Polen, West-Oekraïne zelfs tot 1795 -, zouden daarmee de positie en de invloed van Polen binnen de EU relatief versterkt worden.

Pools-Litouws Gemenebest 16e-17e eeuw
Pools-Litouws Gemenebest

Als Polen en Oekraïne gezamenlijk optreden, zijn ze kwa inwonertal groter dan Duitsland.

Duitsland zou de gelegenheid krijgen om haar economische invloedssfeer uit te breiden naar het oosten, waarmee met name de Fransen en de Britten niet blij zouden zijn en Hongarije zou de banden aanhalen met zuid-oost Oekraïne, dat immers bijna duizend jaar onderdeel is geweest van Hongarije.

karpatalja
Zuid-West Oekraïne

Maar in de praktijk is toetreding van Oekraïne in zijn huidige vorm geheel onmogelijk. De regio’s Donetsk en Loegansk hebben zich immers de facto afgescheiden van Oekraïne. Hoewel zij nog niet als onafhankelijke staten erkend zijn, hebben zij hun positie door het tweede verdrag van Minsk (februari 2015) geconsolideerd.

Hoewel het uiterst onwaarschijnlijk is dat Donetsk en Loegansk hun hard bevochten vrijheid zullen opgeven, beschouwt de Oekraïense regering beide volksrepublieken nog als “tijdelijke bezette gebieden”.

Hetzelfde geldt voor het schiereiland Krim, dat zich niet alleen heeft afgescheiden van Oekraïne, maar zelfs heeft herenigd met Rusland. De Krim – dwz de federale stad Sebastopol en de Autonome Republiek de Krim – maakt sinds 21 maart 2014 officieel deel uit van de Russische Federatie, maar de Oekraïense president Pjotr Porosjenko heeft in juni 2015 jn zijn inaugurele rede gezegd dat Oekraïne de Krim “nooit zou opgeven”. Met toetreding van de Oekraïne zou de EU dus de aanspraken van Oekraïne op Russisch grondgebied overnemen, en daarmee een blijvende bron van spanning. Zou Porosjenko proberen de status quo te doorbreken, dan kan de Krim zelfs een casus belli worden.

De enige oplossing daarvoor is het erkennen van de afgescheiden volksrepublieken, maar daarmee zou de EU de nieuwe lidstaat tegen zich in het harnas jagen.

Kortom, door de weg in te slaan naar een lidmaatschap van Oekraïne, steekt de EU zich in een geopolitiek wespennest.