Categoriearchief: Politics

Het “Nederlands” Instituut voor Internationale Betrekkingen

Een soeverein land maakt zelf zijn buitenlands beleid. Daarom is in de grondwet vastgelegd dat alleen burgers van het land functies kunnen bekleden in het openbaar bestuur of zich verkiesbaar mogen stellen. Een Spanjaard mag bijvoorbeeld geen ambtenaar worden voor de Nederlandse overheid. Dat mag pas als hij de Nederlandse nationaliteit verwerft, bijvoorbeeld door een huwelijk met een Nederlandse.

In de particuliere sector geldt dat niet. Een groot bedrijf mag gerust een buitenlandse directeur aantrekken, als die het meest geschikt is om het te leiden.

Als we de totstandkoming van het buitenland beleid van Nederland onder de loep nemem, stuiten we echter al snel op een zorgwekkende anomalie.

Hoe komt ons buitenlandse beleid tot stand?
In Nederland komt het buitenlands beleid inhoudelijk met name tot stand door twee instellingen. Ten eerste natuurlijk het departement van Buitenlandse Zaken dat onder verantwoordelijkheid valt van de Minister van Buitenlandse Zaken en ten tweede het “Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen” Clingendael.

Clingendael _ logo

Daar treedt direct een democratisch probleem op. Clingendael is namelijk een particulier instituut en ressorteert niet onder ministeriële verantwoordelijkheid, terwijl het wel gefinancierd wordt door de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie. Het heeft derhalve geen democratische of constitutionele legitimiteit.

Er staat nergens in onze grondwet: “De totstandkoming van het buitenlands beleid van het Koninkrijk de Nederlanden mag worden uitbesteed aan particuliere instellingen.” Er is ook geen nationale wet waarin Clingendael wordt aangewezen.

Het probleem is dus dat Clingendael een particulier instituut is dat niet onder democratische controle valt, maar wel in belangrijke mate het buitenlandse beleid mag vormgeven. Sterker nog, waar de uitvoerders van ons buitenlandse beleid op het departement zitten, heeft Clingendael het meeste invloed op de totstandkoming van de inhoud van het buitenlandbeleid.

Bovendien, en dat is minstens zo belangrijk, speelt het een cruciale rol in de opleiding van onze diplomaten. Dus het geeft hen de kennis en de waarden mee, waarmee ze later de belangen van Nederland in het buitenland moeten verdedigen. Als onze diplomaten bij het departement aankomen, zijn ze in menig geval reeds door Clingendael gevormd.

Kortom, Clingendael is van beide instellingen die zich met buitenlandbeleid bezig houden de meest invloedrijke.

Wie werken er bij Clingendael?
Daarom is het interessant om te kijken wie er nou bij Clingendael daadwerkelijk werkzaam zijn. Want dat zijn de mensen die het buitenlandse beleid schrijven, althans de beleidsopties prepareren waaruit het departement en uiteindelijk de minister later kan kiezen.

Clingendael heeft allerlei personen in dienst die het op zijn website “experts” noemt, die zich met diverse onderdelen van de buitenlandse betrekkigen bezig houden. De laatste keer dat we de website bekeken, waren dat er vijfennegentig. The devil is in the detail, dus laten we de lijst eens aflopen.

Ivan Briscoe. Maar Ivan is een Brit, aan zijn accent te horen. Waarom schrijft een Brit mee aan ons buitenlands beleid, oftewel aan hoe ons land zich moet opstellen ten opzichte van andere landen om de belangen van zijn inwoners optimaal te behartigen? Is een Brit niet veel eerder geneigd om zaken te suggeren die gunstig zijn voor de positie van zijn land in de internationale verhoudingen?

Dat zouden we hem niet kwalijk kunnen nemen. Daarmee is hij alleen maar een goed patriot. Stel, in tegendeel, dat hij juist goede suggesties doet voor een succesvol Nederlands buitenlands beleid, dan is het onvermijdelijk dat het belang van Nederland op bepaalde punten strijdig is met dat van Groot-Brittanië. Als hij dus goed zijn werk doet, is het dus onvermijdelijk dat hij vroeg of laat tegen de belangen van zijn vaderland moet adviseren. Briscoe kampt dus met een dubbele lojaliteit, met een conflict of interest. Dat is de reden dat onze grondwet stelt dat het buitenlands beleid van ons land door Nederlanders gemaakt moet worden.

Terug naar zijn positie bij het “Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen”. Briscoe houdt zich bezig met “security & justice”, dat wil zeggen “veiligheid en justitie”, maar hebben we daar niet al een instelling voor, namelijk het Ministerie van Veiligheid en Justitie? Dus, met alle respect voor zijn werk, dat er overigens goed uitziet, deze Brit is hier niet op zijn plaats.

De volgende expert is Grégory Chauzal. Hij houdt zich bezig met “policy debates”. Dus, deze Fransman helpt ons ermee, hoe we moeten debatteren over ons beleid. Opnieuw met alle respect, hebben we daar een Fransman voor nodig? Is er niemand temidden van de 17 miljoen Nederlanders die ons daarmee kan helpen?

Het belangenconflict is in het geval van Chauzal nog scherper, want het betreft een voormalige ambtenaar van het Franse ministerie van Defensie.

We gaan goedmoedig verder. Ragnhild Drange is assistent voor “conflict and fragility”. Zij heeft Noors als moedertaal, – nationaliteit wordt op de website van Clingendael stelselmatig verzwegen, dus we moeten het doen met secundaire indicatoren als opleiding en moedertaal – “working knowledge” van het Nederlands, maar ziet er sympathiek uit. Daarom wordt ze door de Nederlandse belastingbetaler in staat gesteld om aan ons buitenlandbeleid mee te werken.

Verder.

Marianne Ducasse- Rogier helpt ons met “diplomacy and foreign affairs”. Met alle respect voor deze sympathieke Française, wat heeft zij zich met de Nederlandse diplomatie en het Nederlandse buitenlandbeleid te bemoeien?

Diana Goff houdt zich als “research fellow”, net als senor Briscoe, bezig met “security & justice”. Deze sympathieke dame lijkt op basis van haar CV in de Verenigde Staten van Amerika te zijn geboren en getogen en mag nu mede ons veiligheidsbeleid vormgeven. Waarom?

Mariana Gomez Neto lijkt ondanks haar Spaanse naam gewoon Nederlands te zijn, hoewel ook haar nationaliteit op internet taboe lijkt te zijn, en dus gaan we verder met

Nick Grinstead, project assistant voor “conflict & fragility”. Nick is Amerikaan, naar het zich laat aanzien, maar ook hij heeft zijn nationaliteit zorgvuldig verborgen. Elders op internet zegt hij over zichzelf: “He speaks English, Levantine Arabic, intermediate Swedish and basic Spanish and French. He currently resides in Sweden and enjoys a good club sandwich.” Dus we mogen wel weten wat zijn favoriete lunchgerecht is, maar niet van welk land hij burger is. En opmerkelijk genoeg spreekt deze polyglot geen Nederlands.

Shaun Riordan heeft zestien jaar (sic!) in Britse diplomatieke dienst gewerkt, is woonachtig in Madrid en houdt zich nu bij het “Nederlandse Instituut voor Internationale Betrekkingen” bezig met “diplomacy & foreign affairs”. Men zou zeggen dat hij als voormalige Britse diplomaat en voormalig ambtenaar van het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken elke zweem van partijdigheid moet mijden en zich niet moet bemoeien met de Nederlandse diplomatie.

Iemand anders die zich met ”diplomacy & foreign affairs” bezig houdt, is een project-assistent met de klinkende naam Francesco Saverio Montesano. Ook hier verzwijgt de website nationaliteit en herkomst, terwijl hij werkt in een van de weinige functies in ons land – namelijk als medewerker van het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen – waar dat juist wèl belangrijk is. Ook op LinkedIn vezwijgt hij zijn nationaleit, maar de klinkende naam en het diploma van een Liceo Classico in Rome doen vermoeden dat het niet om een Fin gaat.

Dan gaan we verder met Megan Price, “research fellow”. Zij houdt zich ook al bezig met “security & justice”, een populair onderzoeksveld bij Clingendael. Het lijkt wel of er een heel parallelministerie van Veiligheid & Justitie functioneert.

De volgende buitenlandse expert is Mark Singleton, “director of ICCT” en bijdragend aan – het onderzoek naar – “security & terrorism”. Mark, die eerder voor Tony Blair in Jeruzalem werkte als “Acting Head of Mission at the Office of the Quartet Representative”, is nu directeur van het “International Centre for Counter-Terrorism” in Den Haag. Waarom staat ie dan op de Clingendael website als één van hun experts? En is terrorismebestrijding niet iets voor de veiligheidsdiensten of voor de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid? Aangezien Singleton ook voor het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken gewerkt, werpt zich de vraag op of deze Brit op dat moment de Nederlandse nationaliteit bezat, want als dat niet zo is, is dat een dubbele schending van de grondwet.

Sofia Zavagli houdt zich als Italiaanse bezig met het Nederlandse beleid ten aanzien van “security & terrorism”. Ze heeft sinds november 2015 drie teksten geschreven voor haar werkgever, maar allemaal coproducties. Het lijkt een gewoonte te zijn bij Clingendael dat rapporten meerdere auteurs hebben. Zo kun je dus nooit zien van wie een concrete bewering komt, wie het onderzoek achter een stelling daadwerkelijk heeft gedaan. Geen enkele auteur is individueel verantwoordelijk voor wat hij schrijft en auteurs dekken elkaar. De “policy brief” over de aanslagen in Parijs in november 2015 heeft bijvoorbeeld zes auteurs voor tien pagina’s tekst: behalve Zavagli zijn dat directeur Ko Colijn, Mark Singleton, Bibi van Ginkel, Grégory Chauzal, en Christophe Paulussen. Het document eindigt met een reeks “beleidsaanbevelingen”, maar je kunt dus niet zien wie die gedaan heeft en uit welk land ze stammen. Als je de zes auteurs gezamenlijk verantwoordelijk houdt voor de inhoud, hetgeen de bedoeling lijkt, zijn deze aanbevelingen echter mede gedaan voor een Brit, een Fransman en een Italiaanse.

Voorts stuiten we op Cecilia Albin (Zweden) en Mark Anstey (Zuid-Afrika) die ons helpen met “diplomacy & foreign affairs”, Nicole Ball (VS) houdt zich weer bezig veiligheid en justitie.

Tony Bass – die 30 jaar als ambtenaar voor de Ierse overheid gewerkt heeft (sic!) – doet “Europe” en “Euroforum” voor het Nederlandse Instituut voor Internationale Betrekkingen. Van Bass worden helemaal geen publicaties op de website genoemd.

Mai’a Davis Cross (VS) doet hetzelfde als Bass, maar dan doet er nog “diplomacy & foreign affairs” bij.

Guy Olivier Faure – volgens Wiki in 1943 geboren in Frankrijk – doet ook D&FA, maar doet er nog “international negotiation” erbij.

Dus we hebben een Fransman die uitvoerders van het Nederlandse buitenlandbeleid moet leren hoe ze met vertegenwoordigers van andere landen, Frankrijk bijvoorbeeld, moeten onderhandelen.

Verder met Fen Osler Hampson. Die doet hetzelfde als Faure. Hampson lijkt een Canadees te zijn, maar dat valt niet met zekerheid vast te stellen, want ook hij laat zijn nationaliteit op internet weg. Voor hem spreekt dat hij tenminste een serieuze publicatielijst heeft, zij het merendeels niet voor Clingendael. Dan springen we over Bertus Hendriks heen, – zoals we ook met de overige Nederlandse gedaan hebben -, en komen we bij Brian Hocking. Hocking doet ook D&FA, dus dat onderwerp is rijkelijk bedeeld met expertise. Hocking lijkt een Brit te zijn op basis van de gecensureerde CV’s die van hem op internet te vinden zijn.

Daarna komen we via Arjuna Kannangara (D&FA, waarschijnlijk Brit) en Mordechai Melamud (Israël, D&FA) bij Valerie Rosoux, een Belgische dame te oordelen naar haar gecensureerde CV die zich, needless to say, ook bezig houdt met “diplomacy & foreign affairs”. Opvallend is dat er slechts één publicatie van haar hand wordt genoemd, uit maart 2014, hetgeen suggereert dat ze de laatste twee jaar geen onderzoek heeft gedaan dat het waard is om gepubliceerd te worden.

Vervolgens komen we bij Rudolf Schüssler (D&FA, international negotiation) die in zijn onschuld in zijn biografie op de Clingendael-website per ongeluk zijn nationaliteit vermeldt. Daar zijn we deze sympathieke Duitse professor van de Universiteit van Bayreuth dankbaar voor.

Daarop volgt Paul Sharp (D&FA, dit keer zonder international negotiation). Lijkt een Brit, Amerikaan of Canadees te zijn, maar heeft ook zijn nationaliteit van internet weggemoffeld.

We gaan verder met Paul Shotton, een Brit die ons onderwijst over “Europe” en, leuke woordspeling, “Euforum”.

Dan nog wat Hollanders totdat we afsluiten met Sarah Wolff, die wederom Brits lijkt te zijn en zich bezig houdt met “Europe & Euroforum”, alsmede met “security & terrorism”) en I. William Zartman, een voormalige adviseur van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken.

Conclusie
Even tellen en dan blijkt dat er van de vijfennegentig experts liefst achtentwintig naar het zich laat aanzien niet over de Nederlandse nationaliteit beschikken.

Hier past maar een conclusie, namelijk dat een aanzienlijk deel van ons buitenlandbeleid inhoudelijk door buitenlanders wordt geschreven.

Dat is een duidelijke schending van onze grondwet en moet zo snel mogelijk rechtgezet worden.

Bevordert associatieverdrag handel en veiligheid?

Alexander Pechtold, fractieleider van Democraten 66, is een van de meest fervente voorstanders van het associatieverdrag tussen de Europese Unie en Oekraïne dat vandaag in een raadgevend referendum ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het Nederlandse volk. Een referendum waarvan Pechtold overigens de noodzaak helemaal niet inziet, waarmee maar weer eens blijkt dat bestuurlijke vernieuwing bij de D66 in werkelijkheid een wassen neus is – maar dit terzijde.

De afgelopen dagen was hij frequent te zien op televisie en te horen op de radio om zijn standpunt toe te lichten. Hij concentreerde zijn betoog daarbij op drie kernargumenten, namelijk:
1 – Handel
2 – Veiligheid
3 – Help “de jonge generatie” om zich te bevrijden van het verleden

De eerste twee argumenten willen de kiezer overtuigen dat het verdrag gunstig is voor zijn eigen belang doordat handel en veiligheid toenemen, de derde argument is altruïstisch en suggereert dat de Oekraïense jeugd zonder aansluiting bij de Europese handelsruimte veroordeeld is tot een terugval in de duisternis van het sovjet-verleden.

Met het laatste argument appelleert Pechtold aan de vanzelfsprekende wens van de post-68 generaties om zichzelf vrij te ontwikkelen en ook anderen daartoe grootmoedig in staat te stellen.

Laten we de kernargumenten van Pechtold nader beschouwen. Wat bedoelt hij met “de handel”?

De Nederlandse handel, waarschijnlijk. De buitenlandse handel. Maar Nederland handelt met bijna de hele wereld. Handel dus met wie? Met China? Met Canada? Met Suriname? Nee, Pechtold bedoelt de handel tussen Nederland en Oekraïne, dus een zeer klein aandeel van onze buitenlandse handel.

Is het associatieverdrag goed onze buitenlandse handel? Nee, natuurlijk niet. De handelsbetrekking met Rusland zullen namelijk juist te leiden hebben onder ratificatie en inwerkingtreding van het verdrag, en de handel met Rusland is vele malen groter dan die met de Oekraïne.

De buitenlandse handel zal er dus door geschaad worden. Significant en substantieel geschaad worden, als we het in D66-taal mogen formuleren.

En hoe zit het met de veiligheid? Wiens veiligheid? Artikel 4 lid 2f van het associatieverdrag stelt dat er “meer samenwerking tussen de partijen op het vlak van veiligheid en defensie” moet komen. Dat zou in de praktijk de vorm krijgen van gezamenlijke militaire oefeningen en geleidelijke integratie in de NAVO. Rusland ziet dergelijke oefeningen aan zijn grenzen als een provocatie. Als de tweede militaire mogendheid ter wereld door dergelijke oefeningen wordt geïrriteerd, hoe draagt zulks dan bij aan “de veiligheid”?

Het voorstel tot nauwere militaire samenwerking tussen de EU en Oekraïne is juist een voortzetting van de conflictstrategie die Europa sinds de wederopstanding van Rusland op het wereldtoneel volgt. Enerzijds is en blijft de Europese defensie kansloos tegen een mogelijke Russische aanval, omdat de strijdkrachten van de lidstaten decennialang zijn uitgekleed en bovendien worden opgeleid om “vredesmissies” buiten het continent uit te voeren en niet meer getraind zijn op het verdedigen van de eigen landsgrenzen. Anderzijds wordt Rusland steeds meer geprovoceerd met uitbreiding van de NAVO naar het oosten, met financiële en economische sancties wegens de “annexatie” van de Krim, met een kunstmatig lage olieprijs, met onnodig beledigende uitspraken door de presidentskandidate Hillary Clinton aan het adres van de president van de Russische Federatie Vladimir Poetin, et cetera.

D66 is geen voorstander van defensieve herbewapening van de Nederlandse strijdkrachten, maar wel van maatregelen die het militair superieure Rusland tot op het bot tergen. Het lijkt haast of de strekking van het beleid is om Rusland tot een wanhoopsactie tegen Europa aan te zetten, terwijl Europa door het gat in de anti-tankcapaciteit weerloos moet blijven tegen de Russische conventionele overmacht.

Ook het derde argument snijdt geen hout. Want welke “jonge generatie” kan zich door het associatieverdrag eigenlijk bevrijden van het verleden?

Oekraïne bestaat voor ongeveer de helft uit Oekraïners en voor de helft uit Russischtaligen. West-Oekraïne is traditioneel wat meer op het westen gericht, en Oost-Oekraïne wat meer op Rusland. Dat ging prima, zolang niet één van beide kanten de macht naar zich toe wilde trekken.

Onder het regime van Porosjenko zijn de taalrechten van de Russische gemeenschap echter aanzienlijk ingeperkt. Daarmee is een signaal afgegeven aan de Russische helft van de bevolking dat zij erop kunnen rekenen als tweederangs burgers behandeld te worden.

Sterker nog, de dag na het bezoek van Europarlementariërs Guy Verhofstad en Hans Van Baalen aan Kiev in 2014, nam het Oekraïense parlement een wet aan die de tweetaligheid van het land praktisch afschafte. Dit terwijl de Europese Unie nota bene officieel – let wel, officieel – het garanderen van taalrechten aan bijvoorbeeld de Hongaarse minderheid in Roemenië als voorwaarde had opgenomen voor het opnemen van dat land in de EU in 2007. Een sterk staaltje van Brusselse hypocrisie en amnesie zou een EU-scepticus dit wellicht noemen.

De wet werd later deels teruggedraaid, maar de boodschap aan de Russischtalige Oekraïners was duidelijk.

Waar dus de Oekraïense “jonge generatie” wordt bevrijd van het verleden, wordt de Russischtalige jonge generatie beroofd van haar toekomstperspectief. Sterker nog, zij wordt veroordeeld tot een toekomst onder het corrupte regime van premier Porosjenko, die er zijn hand niet voor omdraait om een voormalige buitenlands staatshoofd, Mikheil Sjaakisvili, een paspoort toe te stoppen en tot gouverneur van een Oekraïense provincie te maken die groter is dan zijn voormalige land Georgië. De ultieme vernedering voor de Russischtalige burgers van Oekraïne, dat zelfs een Georgiër met een buitenlands paspoort de voorkeur krijgt boven alle mogelijke Russischtalige kandidaten. Porosjenko, die zijn persoonlijke vermogen van 720 miljoen dollar tijdens zijn ambtsperiode met 20% heeft weten te vermeerderen.

De argumentatie van Pechtold draagt inhoudelijk niets bij tot verheldering van de kwestie waar morgen over gestemd wordt. Zij onthult echter haarfijn dat een politicus, mits hij sympathiek en gematigd is in zijn houding, ongestraft verregaand demagogie en volksverlakkerij kan bedrijven.

Toetreding Oekraïne slecht idee – 3

Een verdere zeer belangrijke reden om Oekraïne geen kandidaat-lid van de Europese Unie te maken, ligt in de bijzondere sociaal-economische omstandigheden van het land.

Oekraïne is een post-communistisch land dat langer dan andere landen, langer zelfs dan Rusland, heeft gewacht met markthervormingen en democratisering. De Oekraïners hebben in december 1991 met overweldigende meerderheid voor onafhankelijkheid gestemd en in de eerste jaren prioriteit gegeven aan zogeheten nation building boven economische hervormingen. Dat blijkt onder andere uit het feit dat de EU Oekraïne pas in 2005 (!) heeft erkend als “markteconomie” en de VS pas in 2006.

In de jaren ’90 werd het land leeggeplunderd door oligarchen die allerlei goederen tegen door de overheid vastgestelde prijzen inkochten, en met aanzienlijke winsten op de wereldmarkt (door)verkochten. Een twintigtal oligarchen bezat omstreeks 40% van de Oekraïense economie.

De rijkste oligarchen hielden zich niet bezig met productie, maar met doorverkopen van gas.

Mede daardoor is de economische groei eigenlijk pas vanaf het jaar 2000 op gang gekomen. Ook die groei was aanvankelijk eenzijdig. De Zweedse econoom Anders Aslund wijst er in zijn standaardwerk Ukriane. How Ukraine became a market economy and democracy op dat de oligarchen die tot 1999 rijk werden met “arbitrage” in de handel van gas, vanaf 2000 rijk werden door de productie van staal. Daardoor ontstond in macro-economische zin weliswaar meer concurrentie en productie, maar het hielp niet bij het ontstaan van een middenklasse en de “gewone man” profiteerde er nauwelijks van.

De huidige president Petro Poroshenko is een van die oligarchen. Hij is rijk geworden door andere het bedrijf Roshen, dat suikergoed produceert, waaraan hij zijn bijnaam “Chocoladekoning” dankt. In maart 2012 werd zijn vermogen door Forbes geschat op 1 miljard dollar.

Roshen

Porosjenko is echter bij lange na niet de rijkste. Dat is Rinat Achmetov met een geschat vermogen van 6,5 miljard dollar. Akhmetov is eigenaar van voetbalclub Shakhtar Donetsk en zit in mijnbouw, financiële dienstverlening, verzekeringen, media, telecommunicatie en onroerend goed.

De oligarchen hebben ook hun eigen “facties” in het parlement, waar zetels te koop zijn voor de hoogste bieder.

Terwijl Oekraïne dus een twintigtal van de rijkste mensen van Europa kent, staat het land op plaats 108 van de lijst van het Internationaal Monetair Fonds van rijkste landen ter wereld, nog onder landen als Namibië, Swaziland en Botswana.

Oekraïne heeft geen politicus van het type Vladimir Poetin gehad, die de macht van de oligarchen heeft gebroken en de belastinginning ter hand genomen heeft – de belastingpolitie in Rusland komt desnoods langs met automatische geweren – en de inkomsten van de staat heeft hersteld.

Mouwinsigne van de Russische Belastingpolitie
Mouwinsigne van de Russische Belastingpolitie

Oekraïne heeft ook geen gas- en olievoorraden die het kan verkopen op de wereldmarkt. In tegendeel, het verkeert in een positie van “strategische afhankelijkheid” van Russische olie- en gasleveranties. Als het lange tijd de rekening niet betaalt, of Rusland anderszins te veel tergt, gaat midden in de winter overal het licht en de verwarming uit.

Aangezien de Oekraïense overheid door de invloed van de oligarchen op het parlement onvoldoende belasting kan heffen over de meest productieve sectoren van de economie, is Oekraïne financieel afhankelijk van leningen van het IMF. Oekraïne heeft in 2008 een IMF-lening van 16,4 miljard dollar toegezegd gekregen, en in juli 2010 opnieuw een lening van 15,15 miljard dollar. In maart 2014 werd een reddingspakket van 14 tot 18 miljard dollar toegezegd.

Een deel van het IMF-geld wordt echter niet geïnvesteerd in de economie, bijvoorbeeld in het verhogen van de productiviteit, maar besteed aan de burgeroorlog.

Het IMF overweegt niettemin om Oekraïne nieuwe leningen te geven en overtreedt daarmee haar eigen “No More Argentina’s”-regel uit 2001 dat je geen geld aan landen moet lenen, als er geen vooruitzicht is dat zij het terug kunnen betalen. Het lijkt er dan ook op dat het IMF onder voorzitterschap van Christine Lagarde – voormalig Frans minister van Economische zaken en Amerikaanse marionet – onder druk van het US State Departement de oorlog van de pro-westerse Oekraïense regering tegen de Russischtalige bevolking van Oost-Oekraïne aan het financieren is.

Kijken we naar de toetreding van een post-communistisch land als Roemenië in 2007, dan kan dat – met alle respect voor land, volk, taal en cultuur van de Roemenen – in economisch opzicht geen wederzijds succes genoemd worden. Er werken momenteel 3 miljoen Roemenen in andere lidstaten van de EU, terwijl er nauwelijks burgers uit andere lidstaten in Roemenië werkzaam zijn. Nederland telde in 2013 volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek 5800 Roemenen die verdacht werden van een misdrijf, terwijl er nauwelijks Nederlandse criminelen in Roemenië zijn. Kortom, het principe van reciprociteit werkt absoluut niet.

Roemenië is een door en door corrupt land. Ook essentiële Europese waarden als taalkundige en andere rechten voor minderheden worden in de praktijk niet nageleefd. In 2013 werd de Nederlander Gabor Landman op een Roemeens politiebureau geslagen en geboeid, omdat hij uitgeprobeerd had of het recht om de politie in het Hongaars te woord te staan in een gebied waar de Hongaarse minderheid woonde, in de praktijk functioneerde.

Als de toetreding van Roemenië al zo problematisch is verlopen, wat mogen we dan van Oekraïne verwachten?

De Oekraïense economie is er nog slechter aan toe dan de Roemeense en heeft minder uitzicht op herstel. Oekraïne is nog corrupter dan Roemenië. De huidige Oekraïense regering heeft zo weinig respect voor de Russischtalige bevolking aan de dag gelegd dat twee oostelijke regio’s zich hebben afgescheiden en het land sinds maart 2014 in staat van burgeroorlog verkeert.

De EU is niet in staat om de Oekraïense economie te integreren. Nog ongeacht de zorgwekkende economische toestand van landen als Griekenland, Spanje, Portugal en Italië, en de miljoenen asielzoekers die momenteel de Noord-Europese landen trachten te bereiken. Zelfs een EU in optima forma zou dit economisch inefficiënte, juridisch krachteloze en politiek instabiele brok niet kunnen verteren.

Toetreding Oekraïne slecht idee – 2

Een tweede reden waarom toetreding van de Oekraïne tot de Europese Unie geen goed idee is, is simpelweg het feit dat daardoor een “ledemaat” van het mystieke lichaam van het Russische volk zou worden afgerukt.

Naar schatting 40% van de Oekraïense bevolking is Russischtalig. Dat komt neer op ongeveer 18 miljoen zielen. Met de Oekraïne zou de EU tegelijkertijd dus een enorme Russische minderheid binnen de grenzen halen. Een minderheid waarvan een deel – de regio’s rond Donetsk en Loegansk – zich uit protest tegen het centralisme van Kiev reeds hebben afgescheiden.

De beide republieken hebben zelfs aansluiting met Rusland gevraagd, maar dat verzoek is door de lankmoedigheid van de Russische president Vladimir Poetin niet doorgegaan.

De Russen in Oekraïne zouden in één klap de grootste minderheid binnen een lidstaat van de EU worden, waarmee de EU een minderhedenprobleem van ongekende proporties zou binnenhalen.

De EU heeft overigens reeds een Russische minderheid van in totaal 1 miljoen, namelijk in de Baltische staten. Deze minderheid voelt zich in politiek, economisch en cultureel opzicht al twintig jaar gemarginaliseerd, dus daar kan men niet van een geslaagde integratie spreken.

De grenzen van de EU zouden in één klap meer dan 800 km (!) naar het oosten opschuiven. De stad Loegansk ligt strikt genomen zelfs oostelijker dan Moskou.

Qua oppervlakte zou de Oekraïne – als we de overzeese gebiedsdelen van Frankrijk niet meetellen – direct het grootste land van de EU worden. Qua inwonertal zou het met zijn 45 miljoen inwoners op de zesde plaats komen, na Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, Italië en Spanje.

Gezien de historische banden tussen de twee landen – Oekraïne was van 1569 tot 1648 onderdeel van Polen, West-Oekraïne zelfs tot 1795 -, zouden daarmee de positie en de invloed van Polen binnen de EU relatief versterkt worden.

Pools-Litouws Gemenebest 16e-17e eeuw
Pools-Litouws Gemenebest

Als Polen en Oekraïne gezamenlijk optreden, zijn ze kwa inwonertal groter dan Duitsland.

Duitsland zou de gelegenheid krijgen om haar economische invloedssfeer uit te breiden naar het oosten, waarmee met name de Fransen en de Britten niet blij zouden zijn en Hongarije zou de banden aanhalen met zuid-oost Oekraïne, dat immers bijna duizend jaar onderdeel is geweest van Hongarije.

karpatalja
Zuid-West Oekraïne

Maar in de praktijk is toetreding van Oekraïne in zijn huidige vorm geheel onmogelijk. De regio’s Donetsk en Loegansk hebben zich immers de facto afgescheiden van Oekraïne. Hoewel zij nog niet als onafhankelijke staten erkend zijn, hebben zij hun positie door het tweede verdrag van Minsk (februari 2015) geconsolideerd.

Hoewel het uiterst onwaarschijnlijk is dat Donetsk en Loegansk hun hard bevochten vrijheid zullen opgeven, beschouwt de Oekraïense regering beide volksrepublieken nog als “tijdelijke bezette gebieden”.

Hetzelfde geldt voor het schiereiland Krim, dat zich niet alleen heeft afgescheiden van Oekraïne, maar zelfs heeft herenigd met Rusland. De Krim – dwz de federale stad Sebastopol en de Autonome Republiek de Krim – maakt sinds 21 maart 2014 officieel deel uit van de Russische Federatie, maar de Oekraïense president Pjotr Porosjenko heeft in juni 2015 jn zijn inaugurele rede gezegd dat Oekraïne de Krim “nooit zou opgeven”. Met toetreding van de Oekraïne zou de EU dus de aanspraken van Oekraïne op Russisch grondgebied overnemen, en daarmee een blijvende bron van spanning. Zou Porosjenko proberen de status quo te doorbreken, dan kan de Krim zelfs een casus belli worden.

De enige oplossing daarvoor is het erkennen van de afgescheiden volksrepublieken, maar daarmee zou de EU de nieuwe lidstaat tegen zich in het harnas jagen.

Kortom, door de weg in te slaan naar een lidmaatschap van Oekraïne, steekt de EU zich in een geopolitiek wespennest.

Toetreding Oekraïne slecht idee – 1

Nederland heeft in maart 2014 in een EU-associatieverdrag met Oekraïne ondertekend. Zo’n verdrag vormt de eerste stap naar toetreding van een land tot de Unie.

Toetreding van de Oekraïne tot de EU is echter een zeer slecht idee.

Oekraïne is namelijk een multi-nationaal en multi-etnisch land dat sinds het ontstaan van het idee van de onafhankelijkheid – overigens relatief recent – altijd een dubbele oriëntatie heeft gehad. De kozakkenhoofdman Bogdan Chmelnitzky, die in 1648 na een opstand tegen de Poolse adel de eerste onafhankelijke kozakkenstaat oprichtte, was in zijn buitenlandse politiek op Rusland gericht, terwijl vijftig jaar later hetman Mazepa de kozakkenstaat bij Zweden wilde laten aansluiten. Dat ging niet door doordat Rusland de oorlog tegen Zweden won in de historische veldslag bij Poltava (1709).

Het land heeft ook twee grote gemeenschappen, die grotendeels samenvallen met de taalgroepen: etnische Oekraïners en etnische Russen. Zolang geen van beide groepen het gevoel heeft benadeeld te worden, zijn die verschillende oriëntaties meer een verrijking dan een reden voor verdeeldheid voor de bevolking van Oekraïne.

Oekraïne is eigenlijk een soort “brugland” of “overgangsgebied” tussen Europa en Rusland. Een dergelijk gebied moet ook als zodanig bestuurd worden: met maximaal respect voor de etnische en taalkundige identiteit van de deelstaten. Oekraïne zou op Zwitserse grondslag georganiseerd moeten worden, waarbij de etnische groeperingen die het land uitmaken, regionaal en lokaal zo veel mogelijk hun eigen zaakjes mogen regelen.

Oekraïense regeringen zouden ongeacht hun ideologische signatuur in hun buitenlandse politiek en in hun handelspolitiek, juist geen keuze voor Oost of West moeten maken, maar goede betrekkingen met zowel Duitsland als Rusland moeten onderhouden. Het moet vooral niet kiezen tussen Oost en West, want dan raakt ten gevolge van die eenzijdige oriëntatie automatisch de ene of de andere gemeenschap in het gedrang.

De problemen zijn begonnen met de toenmalige president Viktor Janoekovitsj. Aanvankelijk probeerde hij de betrekkingen met zowel Rusland als de EU aan te halen. Omdat het post-communistische land echter dringend behoefte had aan buitenlandse investeringen, begon hij onderhandelingen over toetreding tot de EU, in de hoop op financiële en andersoortige steun. Daar zag hij echter mede door Russische druk vanaf.

Vervolgens deed Moskou hem een aanbod, dat in talrijke opzichten veel gunstiger was. Janoekovitsch nam dat aanbod, dat veel meer perspectieven bood voor de ontwikkeling van Oekraïne, wél aan.

Vervolgens brak er een opstand uit, moest Janoekovitsj vluchten en geraakte de pro-westerse oligarch Porosjenko aan de macht, die het associatieverdrag met de EU alsnog ondertekende.

Porosjenko maakte daarmee dezelfde fout als Janoekovitsj, maar dan naar de andere kant. Bovendien toonde hij geen enkel respect voor het Russische deel van de Oekraïense natie.

Sterker nog, de dag na het steunbezoek van EU-functionarissen Verhofstad en Van Baalen, nam het parlement een wet aan die het recht op het gebruik van de Russische taal drastisch inperkte.

Het signaal aan Oost-Oekraïne was duidelijk: onder Prosjenko zou Oekraïne zich aansluiten bij het Westen en de Russen zouden tweederangsburgers worden.

Vladimir Boekovsky over de EU

Vladimir Boekovsky was een van de belangrijkste dissidenten van de Sovjet-Unie van na de oorlog. Met name in de jaren 1960 en 1970 toonde hij talrijke mensenrechtenschendingen van het sovjet-regime aan, waaronder misbruik van psychiatrie voor politieke doelstellingen.

De geschiedenis van de Sovjet-Unie (1922-1991) is veel te weinig bestudeerd en behandeld, en vooral te weinig begrepen, – met name wat betreft de financiële achtergronden van de eenpartijstaat en de voortdurende clandestiene steun vanuit het Westen – waardoor de grondslagen van dit systeem kunnen worden gebruikt om nieuwe superstaten te stichten onder een andere naam.

In deze video uit 2006 biedt Boekovsky een samenvatting van de overeenkomsten tussen de Sovjet-Unie en de Europese Unie. De overeenkomsten zijn in de tien jaar die sindsdien zijn verstreken niet kleiner, maar groter geworden.

Het doel van beide superstaten is hetzelfde: het vervangen van nationale staten door een multinationale superstaat met een nieuwe, transnationale identiteit. Daartoe moet eerst de soevereiniteit van de lidstaten volgens het principe van de salamitactiek – de negatieve geleidelijkheid – worden teniet gedaan.

Dat is reeds gelukt omdat sinds een decennium omstreeks 80% van de wetgeving uit Brussel komt. Een land dat zijn eigen wetten niet meer maakt, is in feite niet meer soeverein. De federale richtlijnen worden eenvoudigweg omgezet in nationale wetgeving. De nationale parlementen zijn daarmee in feite uitvoerende organen van de Europese Commissie geworden.

De tactiek van de machtsovername door de Europese Commissie is simpel: noem de dingen bij andere namen om het volk zand in de ogen te strooien: de Europese regering heet “commissie”, de ministers heten “commissarissen”, decreten heten “richtlijnen”, de eerste minister en regeringsleider heet “voorzitter” van “de commissie”, de Europese Grondwet heet “Verdrag van Lissabon”, etc. Verander tegelijkertijd de betekenis of functie van bestaande nationale instellingen, zonder de naam te veranderen. Nationale volksvertegenwoordigingen behouden hun naam, terwijl ze in feite hun kiezers in 80% van de gevallen niet meer vertegenwoordigen.

Hanteer naast elkaar namen die op elkaar lijken, maar waarachter verschillende organen schuilgaan, zodat mensen in verwarring raken, zoals “Europese Raad” (vergadering regeringsleiders van 28 lidstaten), “Raad van Europa” (de 28 lidstaten + 19 andere landen), “Raad van de Europese Unie” (vergadering van ministers lidstaten), “Raad van Ministers” (idem), “Raad” (ibidem), of “Europese Unie” en “Europese Economische Gemeenschap” (1958), “Europese Gemeenschappen” (1967) en “Europese Gemeenschap” (1993).

Snapt u het nog?

Vraag 10 collega’s op uw werk, wat het verschil is tussen
– de “Europese Raad” en de “Raad van Europa”
– tussen de “Raad van Europa” en de “Raad van de Europese Unie”
– tussen de “Raad” en de “Europese Raad”
– tussen de “Raad” en de “Raad van Europa”
– tussen “Europese Gemeenschappen” en “Europese Gemeenschap”

Zelfs 90% van de hoger opgeleiden zal dat niet weten. Waarschijnlijk weet minder dan 1% van de bevolking het antwoord op bovenstaande vier vragen die toch essentieel zijn voor een begrip van de wijze waarop de federale overheid in Brussel functioneert.

Het diabolische is echter dat er achter dat bewust opgetrokken rookgordijn een reële machtsovername gaande is, die gebaseerd is op deceptie en geleidelijkheid. Als iemand in één keer op je tenen springt, geef je hem een duw. Maar als iemand centimetertje voor centimetertje dichterbij schuifelt, wanneer duw je hem dan weg? En hoe voorkom je dat jij dan als agressor wordt aangemerkt? Je ruimte ben je dan kwijt en die krijg je niet meer zonder slag of stoot terug.

Sterker nog, als je je ruimte terug wilt, ben je “eurosceptisch”, “nationalistisch” of “extremistisch”.

Tegen de tijd dat de mensen erachter komen wat er achter het rookgordijn allemaal is besloten, is het toch al te laat voor hen om er iets aan te doen.

Boekovsky kent al die trucjes vanuit zijn verleden in de verschillende fases van de communistische dictatuur. Hij is waarschijnlijk de auteur van de term “EUSSR”, die de overeenkomsten tussen de EU en de USSR aangeeft. Voor de reden waaróm de EU zo op de SU lijkt, zie zijn interview in de Brussels Journal van 27 februari 2006.

Het laatste wapenfeit in de vernietiging van de nationale staten is het vluchtelingenbeleid van de Europese Unie. Doordat iedereen die één voet op Europese grond zet, mag blijven, worden behalve echte vluchtelingen ook vele miljoenen economische migranten binnengehaald. Die fungeren, zonder dat ze het weten, als invasiemacht die de traditionele structuren van de nationale staten onder het gewicht van hun aantal definitief moeten vertrappen.

Nadat de welvaartsstaat bezweken is onder de toestroom van de migranten en het woningbouwstelsel instort, zal er sociale onrust uitbreken, wordt de politie verrot geslagen door relschoppers, wordt de politie in reactie daarop vijandig tegen de burgers, krijgen korpsen extra bevoegdheden en extra wapens, en is de kans om het monster dat zich achter het Brussels rookgordijn verschuilt naar huis te sturen, verkeken.

Dan rest alleen nog het scenario dat Boekovsky schetst. De EU zal zich maximaal uitbreiden, totdat zij met heel veel ellende in elkaar stort.

De strategische positie van Israël

Nu de lont in het kruitvat van het Midden-Oosten is gestoken, is het de moeite waard om naar de positie van Israël te kijken.

De ligging, omvang en vorm van Israël vormen vanuit het standpunt van landsverdediging een nachtmerrie. Israël is in feite onverdedigbaar. Dat leert een enkele blik op de landkaart.

State of Israel - vector map

Als men de bezette westelijke Jordaan-oever niet meerekent, dan is het land in het midden zo smal – nog geen 20 kilometer – dat het met een geconcentreerde aanval op die “wespentaille” gemakkelijk in tweeën gespleten kan worden. Dan kunnen de noordelijke en zuidelijke helft door de vijand omsingeld en afzonderlijk verslagen worden.

Bovendien is het omgeven door potentieel vijandige staten die een coalitie zouden kunnen vormen, waardoor het land op drie fronten oorlog zou moeten voeren. Dat is zelfs in theorie niet te winnen.

Nu is de directe dreiging van het afsnijden van noord en zuid in 1967 weggenomen door de bezetting van de Westelijke Jordaanoever, maar dat is een politiek gemeleerd gebied dat samen met Gaza de Palestijnse staat vormt en waar de instabiliteit als het ware ingebouwd is. Er wonen 2,8 miljoen Palestijnen en 350.000 joodse Israeli’s en alles hangt af van de wijze waarop die op een bepaald moment met elkaar omgaan.

De politieke inrichting van de Westoever is een tijdelijke constructie. Alles aan de inrichting van Israël lijkt tijdelijk.

De ligging van Jeruzalem is strategisch gezien de grootste nachtmerrie voor de Israel Defense Forces: het ligt deels op de Westoever aan de oostgrens van het land. Het is de meest heilige stad van het land, maar is door zijn ligging aan de grens nauwelijks te verdedigen.

De enige natuurlijk bondgenoot van Israel is de Middellandse Zee, waar geen dreiging van voormalige tegenstanders te verwachten is.

In het rapport “Israels strategic doctrine” van de Rand Corporation wordt het dilemma als volgt geformuleerd: “A single defeat may destroy the state. A single Israeli victory cannot settle the conflict. Israel may face a future of endless war.”

Vergelijken we Israël met Rusland, dan heeft Rusland het voordeel dat het een groot aantal nederlagen kan incasseren, zonder dat het verslagen wordt. Dat is tijdens de Napoleontische oorlogen en in de beide wereldoorlogen ook gebeurd. De vijand drong diep in Rusland door – Napoleon heeft zelfs Moskou ingenomen – maar het Russische leger trok zich simpelweg terug, desnoods tot achter de Oeral, teneinde de vijand later met tegenoffensieven of met partizanenacties te verwoesten, dan wel te demoraliseren en geleidelijk aan te verzwakken.

Israël, echter, is zo klein en smal dat het leger geen ruimte heeft om zich terug te trekken.

De defensieve strategie van Israel is volgens het rapport van Rand dan ook gebaseerd op conventionele afschrikking, dat wil zeggen dat een reële of vermeende vijand duidelijk gemaakt wordt dat hij een hoge prijs zal betalen en snel verslagen zal worden, indien hij tot agressie tegen Israël overgaat.

Maar in feite kan men een stap verder gaan en stellen dat Israel er ongeacht de politieke koers van het land op aangewezen is, om permanent alert te zijn en te vertrouwen op preventieve oorlogsvoering.

De veiligheid van het land hangt af van het vermogen om de voorbereidingen van potentiële vijanden nauwgelet af te lezen en, als die bedreigend worden, in een preventieve oorlog de desbetreffende vijand totaal te verslaan.

Dat is geen basis voor stabiliteit in de regio.

De situatie is, waar men ook de verantwoordelijkheid voor de spanningen in het Midden-Oosten neerlegt, op den duur onhoudbaar. Het is een permanente voedingsbodem voor radicalisme, buitenlandse inmenging en spanningen tussen instabiele staten.

Het feit dat Israel intern de meest moderne en democratische staat van het Midden-Oosten is, doet daar niets aan af.

Israel is, met alle sympathie voor het patriottisme van zijn inwoners, een onmogelijke staat. Het heeft maar twee opties op lange termijn: of het wordt weggevaagd door zijn vijanden, of het breidt zich uit tot de omvang van het voormalige koninkrijk van David, zoals sommige radicale rabbijnen willen, zodat het land tenminste verdedigbaar is.

DAVID'S KINGDOM AND CONQUESTS

Beide mogelijkheden zijn anachronistisch. De tragedie van de staat Israël is dat zij op het verkeerde moment in de geschiedenis is gesticht. Vanuit het standpunt van de Arabische buurlanden te laat, omdat die het bestaan van een door het westen gesteunde joodse staat zien als een vorm van neokolonialisme. En vanuit het standpunt van de eschatologie te vroeg, want het volk van Israël zou pas terugkeren naar het Beloofde Land als de Messias was gekomen.

Holding out hope as bright as it is false – Obama creëert antecedenten WW3

De Amerikaanse president Barack Obama heeft op 30 oktober 2015 verklaard dat hij toch grondtroepen naar Syrië gaat sturen. Te beginnen met een 50-tal commando’s dat naar Noord-Syrië wordt uitgezonden.

Ze moeten daar gerichte operaties tegen ISIS uitvoeren in Syrië en Irak (voor dat laatste zit je in Noord-Syrië dan overigens helemaal niet goed) en helpen om de Irakese stad Ramadi te heroveren.

Hij deed dat ondanks 16 beloftes om dat niet te doen. Of moet je zeggen dankzij, want als een staatsman standvastig is in zijn voornemen om iets niet te doen, waarom moet hij het dan zo vaak ontkennen? Dan is één of hooguit twee of drie keer toch voldoende?

Los van de weifelachtige houding van de president in zaken van oorlog en vrede – hij heeft hier gehandeld in overleg met “militaire adviseurs”, terwijl het een puur politieke beslissing betreft – is dat een ernstige zaak. Door de enkele aanwezigheid van Amerikaanse grondtroepen, wordt er een antecedent gecreëerd voor een militaire confrontatie met de Russische strijdkrachten die het Syrische regime momenteel assisteren in zijn strijd tegen Islamitische Staat.

Of zo’n schermutseling opzettelijk of onbedoeld tot stand komt, doet er niet toe. Het gaat erom dat Obama de voorgeschiedenis van de derde wereldoorlog aan het schrijven is.

In plaats van samen te werken met Rusland door met dat land een coalitie aan te gaan om IS zo snel mogelijk te verslaan, stuurt hij grondtroepen naar een land, waar de Russische luchtmacht dagelijks bombardementen uitvoert. Hij doet dat zonder mandaat van de Verenigde Naties, terwijl Rusland tenminste formeel handelt op verzoek van de legitieme regering van Syrië, die nog steeds door de VN erkend is.

De 50 commando’s zullen gevolgd worden door nieuwe grondtroepen, waardoor de kans op incidenten toeneemt. Op een gegeven moment ontstaat een situatie, waarin het haast wel móet komen tot een “onbedoelde” confrontatie.

Obama maakt het zichzelf met zijn stuurloze koers alleen maar moeilijker, want als de troepen eenmaal in Syrië zijn, is het in de huidige situatie onmogelijk om ze zonder gezichtsverlies weer terug te trekken.

Het is overigens niet zeker dat er niet al lang “boots on the ground” aanwezig zijn in Syrië.

Volgens een artikel van de Sunday Express met titel “SAS dress as ISIS fighters in undercover war on jihadis“, zouden er deze zomer al Britse commando’s van de Special Air Service en de Special Boat Service in Syrië aanwezig zijn. Deze special forces waren aanwezig in Syrië in het kader van de Britse participatie aan de strijd tegen ISIS (“Operation Shader”).

In werkelijkheid zouden ze zich echter als ISIS-strijders verkleed hebben en tegen de troepen van de Syrische regering gevochten hebben. Als Britse commando’s met ISIS meevechten, is het niet onmogelijk dat Amerikaanse special forces dat ook reeds enige tijd doen.
Dat verklaart waarom de bloeddorstige barbaren van ISIS, met nauwelijks getrainde psychisch labiele westerse drop-outs in hun gelederen, het toch zo lang hebben uitgehouden tegen het Syrische beroepsleger.

De Russische president Vladimir Poetin kán vanuit zijn positie niet veel anders doen dan wat hij doet: de omsingeling van Rusland doorbreken en het conflict naar het Midden-Oosten exporteren. Obama verkeert echter in een sleutelpositie, want de Verenigde Staten hebben hun handen vrij. Doordat Obama echter blijft weigeren om zijn historische opdracht uit te voeren, leidt de vredespresident ons gestaag naar de derde wereldoorlog. Ook al zal die waarschijnlijk pas in de (tweede) ambtstermijn van Hillary Clinton uitbreken.

Obama is diep in zijn hart bang, dat als hij in zijn buitenlandse politiek hetzelfde idealisme aan de dag legt, als John Fitzgerald Kennedy deed in de binnenlandse politiek, hem hetzelfde lot zal wachten als zijn illustere voorganger.

Obama werd in 2008 door een sangoma (natuurgenezer) van het zoeloevolk treffend beschreven in het hiernavolgende gedicht:

An actor walks upon the floodlit stage of life
wearing a mask of an angel beneath a demon’s gown.
Pretence smiles upon the crowded hall of life
holding out hope as bright as it is false.
Son of a woman in whose veins flows the blood
of ancient Ireland and dark Africa’s plains.
You are Obama, nick-named the standing king
You are Barack, oh, son born to deceive
The suffering hoards of Africa look up to you,
See a black saviour where nought but a Judas strides.
An entrapper of nations, bringer of dismal war
Behind the robes and the nylon wings of hope
Oh, may those who look upon you, see you as you are.
May those who hope in you behold you as you be
A prince deceitful to bring down Africa’s shrines
A siren who leads Africa’s ships onto rocks of obliteration.
Your rule my lord will not be one of peace
Your reign my king will not be one of smiles
Even as we speak in caves both dark and dank
Enraged fanatics plot your dark demise
They will put around your head a bloodwet martyr’s crown.
Oh black Kennedy following the one before
May God forgive thee and thy fiery spouse
As you walk in silence from the stage of life
Barack Obama, blessed son, Oh standing king.

Het lijstje van Wesley Clark

Voormalig opperbevelhebber van de NAVO in Europa (1997-2000), verantwoordelijk voor NAVO-bombardementen op Servië in het kader van de Kosovo-oorlog, ging 10 dagen na de aanslagen op het World Trade Center van 11 september 2001 naar het Amerikaanse ministerie van Defensie op uitnodiging van Buitenlandse zaken Donald Rumsfeld ontmoette en “drahtzieher” staatssecretaris van Defensie Paul Wolfowitz.

Generaal Wesley Clark
Generaal Wesley Clark

Bij die gelegenheid ging hij ook langs bij voormalige ondergeschikten die op dat moment nog bij de Joint Chiefs of Staff werkten. Een van de generaals hem apart en zei: “We’ve made the decision, we’re going to war with Iraq.” Dat was op 20 september 2011. De oorlog zou 2 jaar later inderdaad plaatsvinden. Generaal Clarke vroeg waaróm de VS oorlog zouden gaan voeren tegen Irak. De generaal antwoordde: “I don’t know. I guess they don’t know what else to do.” Clark vroeg of ze informatie hadden gevonden die het Iraakse regime met terreurorganisatie Al-Qaeda in verband bracht, maar dat was niet zo.

Een paar weken later kwam Clark weer langs en sprak dezelfde generaal. Tegen die tijd waren de VS begonnen Afghanistan te bombarderen. Clark vroeg of de VS nog steeds ten strijde zouden trekken tegen Irak. De generaal antwoordde: “Erger nog”, pakte een papiertje van de andere kant van zijn bureau en zei: “Ik heb dit net van boven gekregen [van het kantoor van de minister van Defensie op een hoger gelegen etage]. Het is een memo dat beschrijft hoe we binnen 5 jaar 7 landen gaan uitschakelen. Te beginnen met Irak, dan Syrië, Libanon, Lybië, Somalië, Soedan en tenslotte Iran.”

Aangezien het lijstje van Clark reeds genoemd wordt in zijn boek Winning Modern Wars uit 2003, vormt het een aanwijzing dat die plannen inderdaad in de door hem genoemde of in een andere vorm op dat moment bestonden.

Irak werd in 2003 aangevallen onder het valse voorwendsel dat het massa-vernietigingswapes had. Minister van Buitenlandse zaken Colin Powell had de ondankbare taak gekregen om de leugen in VN te “bewijzen”, waarvoor hij later excuses heeft aangeboden.

Lybië werd in 2011 aangevallen. Na een jaar van opluchting in 2012 is het land inmiddels een roversnest geworden. Het land is gespleten in twee rivaliserende regeringen, parlementen en strijdkrachten, die de natuurlijke rijkdommen proberen te pakken te krijgen. Het produceert nog slechts 160.000 olievaten per dag, iets meer dan een tiende van de 1,5 miljoen die het land onder al-Qhadaffi produceerde. Omstreeks 400.000 burgers hebben het land verlaten, er vinden nog steeds schermutselingen plaats en de burgers van de stad Benghazi, waar het allemaal begon, leven in ellende.

Soedan is in 2011 uiteengevallen in twee delen doordat Zuid-Soedan zich officieel heeft afgescheiden van Soedan en een eigen staat heeft uitgeroepen die erkend is door de VN en de Afrikaanse Unie. Het land wordt sindsdien getergd door interne onrust.

In oktober 2013 wilden de Amerikaanse president Barack Obama en minister van Buitenlandse zaken John Kerry Syrië aanvallen wegens vermeend gebruik van chemische wapens, nadat er volgens Kerry “geen diplomatieke oplossing mogelijk was”. Dat werd echter voorkomen door ingrijpen van de Russische president Vladimir Poetin, die voorstelde dat de Verenigde Naties het beheer van de chemische wapens van Syrië zouden overnemen. Nadat het voorstel door de Syrische president Basjir Assad werd aanvaard en door de Veiligheidsraad van de VN werd aangenomen, trokken de Amerikanen hun plannen voor luchtaanvallen op de troepen van Assad terug.

Niettemin is het land door de burgeroorlog, die ontstond nadat door de VS en Saoedi-Arabië bewapende milities uit Lybië naar Syrië trokken, de facto uiteengevallen. Staatkundig herstel van Syrië in de oude vorm is ondenkbaar. De meest waarschijnlijke oplossing is een rompstaat met een democratisch bestuur, waarin Assad de macht moet delen en moet accepteren dat het noorden autonoom wordt of deel gaat uitmaken van een Koerdische staat.

Libanon staat nog overeind, Somalia ook, hoewel de VS met enige regelmaat beperkte aanvallen op het land doen in de vorm van bombardementen met onbemande vliegtuigen en operaties door special forces.

In Soedan heeft in 2011 het zuiden zich afgescheiden en een onafhankelijke staat uitgeroepen onder de naam “Zuid-Soedan”. De VS hebben het land sinds 1998 niet meer gebombardeerd, maar er zijn in 2009 en 2011 bombardementen uitgevoerd die worden toegeschreven aan bondgenoot Israël.

Het belangrijkste land op het verlanglijstje van de neoconservatieven is natuurlijk Iran. Maar ondanks herhaaldelijk aandringen door neoconservatieven in de VS, is het niet gelukt een aanval tegen Iran op te zetten. Momenteel helpt Iran tegen Islamitische Staat en is een aanval op korte termijn niet waarschijnlijk, tenzij Israël besluit om de Derde Wereldoorlog te beginnen.

In Moskou is het lijstje van Clark natuurlijk ook bekend. En Moskou heeft besloten om een streep in het zand te trekken. Rusland kan zich niet veroorloven om al zijn voormalige bondgenoten in het Midden-Oosten te verliezen. En om toe te zien hie de VS een te grote grip op de oliereserves in de regio krijgen.

Waarom delen VS geen info over Islamitische Staat?

Gisteren uitte de Russische president Vladimir Poetin zijn teleurstelling over de aanhoudende weigering van de regering van de Verenigde Staten om informatie over de posities van Islamitische Staat met Rusland te delen te delen.

De VS beschikken over waardevolle informatie over de posities van de strijders van IS, die het de Russische strijdkrachten in de regio mogelijk zouden maken om korte metten te maken met dit mysterieuze leger van religieuze fanatici, dat uitgerust is met het modernste wapentuig en de meest verouderde ideeën.

Dus waarom, vroeg Poetin zich af, delen de de VS, als het werkelijk in hun bedoeling ligt om IS te verzwakken, niet simpelweg hun info met de Russische regering?

Opnieuw kan men niet anders dan Poetin gelijk geven, net als bij grote delen van zijn toespraak voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties eind september, ongeacht wat men van zijn binnenlands beleid of zijn persoon zou kunnen vinden. Waarom niet gaan samenwerken met Rusland, al was het maar uit tactisch oogpunt? De VS en Rusland zijn het weliswaar niet eens over het aanblijven van Assad, maar informatie over de posities van IS kan niet gebruikt worden tegen de zogenaamde “gematigde” oppositie in Syrië. Die verzwakt uitsluitend IS, en geen enkele andere strijdende partij.

Opnieuw krijgt men de indruk dat de VS er in woord wel, maar in daad niet op uit zijn om IS te elimineren. Dat blijkt steeds weer uit details. Russia TV toonde vanmorgen beelden van moderne Amerikaanse wapens, die op een of andere manier in handen van Syrische rebellen waren geraakt. Er was vorige week in de Nederlandse pers – naar aanleiding van vragen van Amerikaanse terrorismebestrijders aan Toyota – aandacht voor de vraag hoe IS toch aan die honderden Toyota’s Hilux kwamen, waar ze in hun propagandafilmpjes mee te zien zijn. Terwijl de Volkskrant niet verder kwam dan dat er de laatste jaren in Irak veel meer Hiluxen werden verkocht dan daarvoor, maar dat het een raadsel blijft hoe IS aan die dingen kwam, heeft het Ron Paul Institute for Peace and Prosperity dat “raadsel ” echter al op 9 oktober grotendeels opgelost.

Public Radio International (PRI), dat door een Amerikaanse stichting wordt gefinancierd, berichtte vorig jaar in een door de website van het instituut aangehaald artikel:

“Onlangs, toen het US State Department de levering van niet-dodelijke hulp aan Syrische rebellen hervatte, stonden er 43 Toyota trucks op de pakbon.” PRI interviewt Oubai Shahbander, toen adviseur in Washington van de Syrische Nationale Coalitie, die uitlegde wat de voordelen waren van de Hilux voor de gematigde oppositie. Ze kunnen zowel voor humanitaire operaties worden gebruikt, stelt Shabander, als voor bevoorrading van troepen en je kunt er natuurlijk zwaar bewapende militieleden in vervoeren.

Beeldmateriaal van IS-strijders in pick-up trucks toont echter dat Hiluxen echter doorgaans niet terecht bij de gematigde oppositie, maar bij de IS.

IS wordt niet alleen direct door de VS gesteund met wapens en voertuigen, vorige week werd ook bericht dat het Vrije Syrische Leger van de regering van Saoedi-Arabië 500 krachtige antitankraketten van het type TOW gekregen hadden. De Saoedi’s zouden dat niet kunnen doen zonder overleg met plaatselijke liaison officieren van de VS, want het grenst aan directe inmenging in het conflict in Syrië.

Bij staten doet men er verstandig aan om de verklaarde doelstellingen van hun beleid serieus te nemen, maar niet één op één over te nemen. De officiële reden voor de Amerikaanse aanval op Irak in 2003 was het wegnemen van de dreiging van massavernietigingswapens. De werkelijke reden was echter het vervangen van het regime (en het vergroten van de Amerikaanse invloed in de regio tijdens op de wederopbouw). Toen na de nederlaag van Irak bleek dat er geen dergelijke wapens waren, kwam de aap uit de mouw en verdedigde Washington zich door te stellen dat Irak nu een beter land was, omdat de gevreesde dictator Saddam Hussein ten val was gebracht.

Als men de gedragingen van staten wil begrijpen, is het verstandiger primair te kijken naar de gedragingen zelf, dat wil zeggen het handelen en het nalaten van de desbetreffende staat, en te onderzoeken of die een bepaalde continuïteit, een bepaalde logica bevatten.

Doet men dat bij het Amerikaanse beleid ten aanzien van Syrië sinds 2014, dan valt op dat de VS hebben nagelaten om IS met bombardementen ook maar te verzwakken, terwijl er wel allerlei modern wapentuig van Amerikaanse herkomst in handen van IS is gekomen.

Dan is er – afgezien van wat men verder van de Russische interventie in Syrië of van de persoon van Vladimir Poetin vindt – weinig af te dingen op de uitspraken van de Russiche president.