Het “Nederlands” Instituut voor Internationale Betrekkingen

Een soeverein land maakt zelf zijn buitenlands beleid. Daarom is in de grondwet vastgelegd dat alleen burgers van het land functies kunnen bekleden in het openbaar bestuur of zich verkiesbaar mogen stellen. Een Spanjaard mag bijvoorbeeld geen ambtenaar worden voor de Nederlandse overheid. Dat mag pas als hij de Nederlandse nationaliteit verwerft, bijvoorbeeld door een huwelijk met een Nederlandse.

In de particuliere sector geldt dat niet. Een groot bedrijf mag gerust een buitenlandse directeur aantrekken, als die het meest geschikt is om het te leiden.

Als we de totstandkoming van het buitenland beleid van Nederland onder de loep nemem, stuiten we echter al snel op een zorgwekkende anomalie.

Hoe komt ons buitenlandse beleid tot stand?
In Nederland komt het buitenlands beleid inhoudelijk met name tot stand door twee instellingen. Ten eerste natuurlijk het departement van Buitenlandse Zaken dat onder verantwoordelijkheid valt van de Minister van Buitenlandse Zaken en ten tweede het “Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen” Clingendael.

Clingendael _ logo

Daar treedt direct een democratisch probleem op. Clingendael is namelijk een particulier instituut en ressorteert niet onder ministeriële verantwoordelijkheid, terwijl het wel gefinancierd wordt door de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie. Het heeft derhalve geen democratische of constitutionele legitimiteit.

Er staat nergens in onze grondwet: “De totstandkoming van het buitenlands beleid van het Koninkrijk de Nederlanden mag worden uitbesteed aan particuliere instellingen.” Er is ook geen nationale wet waarin Clingendael wordt aangewezen.

Het probleem is dus dat Clingendael een particulier instituut is dat niet onder democratische controle valt, maar wel in belangrijke mate het buitenlandse beleid mag vormgeven. Sterker nog, waar de uitvoerders van ons buitenlandse beleid op het departement zitten, heeft Clingendael het meeste invloed op de totstandkoming van de inhoud van het buitenlandbeleid.

Bovendien, en dat is minstens zo belangrijk, speelt het een cruciale rol in de opleiding van onze diplomaten. Dus het geeft hen de kennis en de waarden mee, waarmee ze later de belangen van Nederland in het buitenland moeten verdedigen. Als onze diplomaten bij het departement aankomen, zijn ze in menig geval reeds door Clingendael gevormd.

Kortom, Clingendael is van beide instellingen die zich met buitenlandbeleid bezig houden de meest invloedrijke.

Wie werken er bij Clingendael?
Daarom is het interessant om te kijken wie er nou bij Clingendael daadwerkelijk werkzaam zijn. Want dat zijn de mensen die het buitenlandse beleid schrijven, althans de beleidsopties prepareren waaruit het departement en uiteindelijk de minister later kan kiezen.

Clingendael heeft allerlei personen in dienst die het op zijn website “experts” noemt, die zich met diverse onderdelen van de buitenlandse betrekkigen bezig houden. De laatste keer dat we de website bekeken, waren dat er vijfennegentig. The devil is in the detail, dus laten we de lijst eens aflopen.

Ivan Briscoe. Maar Ivan is een Brit, aan zijn accent te horen. Waarom schrijft een Brit mee aan ons buitenlands beleid, oftewel aan hoe ons land zich moet opstellen ten opzichte van andere landen om de belangen van zijn inwoners optimaal te behartigen? Is een Brit niet veel eerder geneigd om zaken te suggeren die gunstig zijn voor de positie van zijn land in de internationale verhoudingen?

Dat zouden we hem niet kwalijk kunnen nemen. Daarmee is hij alleen maar een goed patriot. Stel, in tegendeel, dat hij juist goede suggesties doet voor een succesvol Nederlands buitenlands beleid, dan is het onvermijdelijk dat het belang van Nederland op bepaalde punten strijdig is met dat van Groot-Brittanië. Als hij dus goed zijn werk doet, is het dus onvermijdelijk dat hij vroeg of laat tegen de belangen van zijn vaderland moet adviseren. Briscoe kampt dus met een dubbele lojaliteit, met een conflict of interest. Dat is de reden dat onze grondwet stelt dat het buitenlands beleid van ons land door Nederlanders gemaakt moet worden.

Terug naar zijn positie bij het “Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen”. Briscoe houdt zich bezig met “security & justice”, dat wil zeggen “veiligheid en justitie”, maar hebben we daar niet al een instelling voor, namelijk het Ministerie van Veiligheid en Justitie? Dus, met alle respect voor zijn werk, dat er overigens goed uitziet, deze Brit is hier niet op zijn plaats.

De volgende expert is Grégory Chauzal. Hij houdt zich bezig met “policy debates”. Dus, deze Fransman helpt ons ermee, hoe we moeten debatteren over ons beleid. Opnieuw met alle respect, hebben we daar een Fransman voor nodig? Is er niemand temidden van de 17 miljoen Nederlanders die ons daarmee kan helpen?

Het belangenconflict is in het geval van Chauzal nog scherper, want het betreft een voormalige ambtenaar van het Franse ministerie van Defensie.

We gaan goedmoedig verder. Ragnhild Drange is assistent voor “conflict and fragility”. Zij heeft Noors als moedertaal, – nationaliteit wordt op de website van Clingendael stelselmatig verzwegen, dus we moeten het doen met secundaire indicatoren als opleiding en moedertaal – “working knowledge” van het Nederlands, maar ziet er sympathiek uit. Daarom wordt ze door de Nederlandse belastingbetaler in staat gesteld om aan ons buitenlandbeleid mee te werken.

Verder.

Marianne Ducasse- Rogier helpt ons met “diplomacy and foreign affairs”. Met alle respect voor deze sympathieke Française, wat heeft zij zich met de Nederlandse diplomatie en het Nederlandse buitenlandbeleid te bemoeien?

Diana Goff houdt zich als “research fellow”, net als senor Briscoe, bezig met “security & justice”. Deze sympathieke dame lijkt op basis van haar CV in de Verenigde Staten van Amerika te zijn geboren en getogen en mag nu mede ons veiligheidsbeleid vormgeven. Waarom?

Mariana Gomez Neto lijkt ondanks haar Spaanse naam gewoon Nederlands te zijn, hoewel ook haar nationaliteit op internet taboe lijkt te zijn, en dus gaan we verder met

Nick Grinstead, project assistant voor “conflict & fragility”. Nick is Amerikaan, naar het zich laat aanzien, maar ook hij heeft zijn nationaliteit zorgvuldig verborgen. Elders op internet zegt hij over zichzelf: “He speaks English, Levantine Arabic, intermediate Swedish and basic Spanish and French. He currently resides in Sweden and enjoys a good club sandwich.” Dus we mogen wel weten wat zijn favoriete lunchgerecht is, maar niet van welk land hij burger is. En opmerkelijk genoeg spreekt deze polyglot geen Nederlands.

Shaun Riordan heeft zestien jaar (sic!) in Britse diplomatieke dienst gewerkt, is woonachtig in Madrid en houdt zich nu bij het “Nederlandse Instituut voor Internationale Betrekkingen” bezig met “diplomacy & foreign affairs”. Men zou zeggen dat hij als voormalige Britse diplomaat en voormalig ambtenaar van het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken elke zweem van partijdigheid moet mijden en zich niet moet bemoeien met de Nederlandse diplomatie.

Iemand anders die zich met ”diplomacy & foreign affairs” bezig houdt, is een project-assistent met de klinkende naam Francesco Saverio Montesano. Ook hier verzwijgt de website nationaliteit en herkomst, terwijl hij werkt in een van de weinige functies in ons land – namelijk als medewerker van het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen – waar dat juist wèl belangrijk is. Ook op LinkedIn vezwijgt hij zijn nationaleit, maar de klinkende naam en het diploma van een Liceo Classico in Rome doen vermoeden dat het niet om een Fin gaat.

Dan gaan we verder met Megan Price, “research fellow”. Zij houdt zich ook al bezig met “security & justice”, een populair onderzoeksveld bij Clingendael. Het lijkt wel of er een heel parallelministerie van Veiligheid & Justitie functioneert.

De volgende buitenlandse expert is Mark Singleton, “director of ICCT” en bijdragend aan – het onderzoek naar – “security & terrorism”. Mark, die eerder voor Tony Blair in Jeruzalem werkte als “Acting Head of Mission at the Office of the Quartet Representative”, is nu directeur van het “International Centre for Counter-Terrorism” in Den Haag. Waarom staat ie dan op de Clingendael website als één van hun experts? En is terrorismebestrijding niet iets voor de veiligheidsdiensten of voor de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid? Aangezien Singleton ook voor het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken gewerkt, werpt zich de vraag op of deze Brit op dat moment de Nederlandse nationaliteit bezat, want als dat niet zo is, is dat een dubbele schending van de grondwet.

Sofia Zavagli houdt zich als Italiaanse bezig met het Nederlandse beleid ten aanzien van “security & terrorism”. Ze heeft sinds november 2015 drie teksten geschreven voor haar werkgever, maar allemaal coproducties. Het lijkt een gewoonte te zijn bij Clingendael dat rapporten meerdere auteurs hebben. Zo kun je dus nooit zien van wie een concrete bewering komt, wie het onderzoek achter een stelling daadwerkelijk heeft gedaan. Geen enkele auteur is individueel verantwoordelijk voor wat hij schrijft en auteurs dekken elkaar. De “policy brief” over de aanslagen in Parijs in november 2015 heeft bijvoorbeeld zes auteurs voor tien pagina’s tekst: behalve Zavagli zijn dat directeur Ko Colijn, Mark Singleton, Bibi van Ginkel, Grégory Chauzal, en Christophe Paulussen. Het document eindigt met een reeks “beleidsaanbevelingen”, maar je kunt dus niet zien wie die gedaan heeft en uit welk land ze stammen. Als je de zes auteurs gezamenlijk verantwoordelijk houdt voor de inhoud, hetgeen de bedoeling lijkt, zijn deze aanbevelingen echter mede gedaan voor een Brit, een Fransman en een Italiaanse.

Voorts stuiten we op Cecilia Albin (Zweden) en Mark Anstey (Zuid-Afrika) die ons helpen met “diplomacy & foreign affairs”, Nicole Ball (VS) houdt zich weer bezig veiligheid en justitie.

Tony Bass – die 30 jaar als ambtenaar voor de Ierse overheid gewerkt heeft (sic!) – doet “Europe” en “Euroforum” voor het Nederlandse Instituut voor Internationale Betrekkingen. Van Bass worden helemaal geen publicaties op de website genoemd.

Mai’a Davis Cross (VS) doet hetzelfde als Bass, maar dan doet er nog “diplomacy & foreign affairs” bij.

Guy Olivier Faure – volgens Wiki in 1943 geboren in Frankrijk – doet ook D&FA, maar doet er nog “international negotiation” erbij.

Dus we hebben een Fransman die uitvoerders van het Nederlandse buitenlandbeleid moet leren hoe ze met vertegenwoordigers van andere landen, Frankrijk bijvoorbeeld, moeten onderhandelen.

Verder met Fen Osler Hampson. Die doet hetzelfde als Faure. Hampson lijkt een Canadees te zijn, maar dat valt niet met zekerheid vast te stellen, want ook hij laat zijn nationaliteit op internet weg. Voor hem spreekt dat hij tenminste een serieuze publicatielijst heeft, zij het merendeels niet voor Clingendael. Dan springen we over Bertus Hendriks heen, – zoals we ook met de overige Nederlandse gedaan hebben -, en komen we bij Brian Hocking. Hocking doet ook D&FA, dus dat onderwerp is rijkelijk bedeeld met expertise. Hocking lijkt een Brit te zijn op basis van de gecensureerde CV’s die van hem op internet te vinden zijn.

Daarna komen we via Arjuna Kannangara (D&FA, waarschijnlijk Brit) en Mordechai Melamud (Israël, D&FA) bij Valerie Rosoux, een Belgische dame te oordelen naar haar gecensureerde CV die zich, needless to say, ook bezig houdt met “diplomacy & foreign affairs”. Opvallend is dat er slechts één publicatie van haar hand wordt genoemd, uit maart 2014, hetgeen suggereert dat ze de laatste twee jaar geen onderzoek heeft gedaan dat het waard is om gepubliceerd te worden.

Vervolgens komen we bij Rudolf Schüssler (D&FA, international negotiation) die in zijn onschuld in zijn biografie op de Clingendael-website per ongeluk zijn nationaliteit vermeldt. Daar zijn we deze sympathieke Duitse professor van de Universiteit van Bayreuth dankbaar voor.

Daarop volgt Paul Sharp (D&FA, dit keer zonder international negotiation). Lijkt een Brit, Amerikaan of Canadees te zijn, maar heeft ook zijn nationaliteit van internet weggemoffeld.

We gaan verder met Paul Shotton, een Brit die ons onderwijst over “Europe” en, leuke woordspeling, “Euforum”.

Dan nog wat Hollanders totdat we afsluiten met Sarah Wolff, die wederom Brits lijkt te zijn en zich bezig houdt met “Europe & Euroforum”, alsmede met “security & terrorism”) en I. William Zartman, een voormalige adviseur van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken.

Conclusie
Even tellen en dan blijkt dat er van de vijfennegentig experts liefst achtentwintig naar het zich laat aanzien niet over de Nederlandse nationaliteit beschikken.

Hier past maar een conclusie, namelijk dat een aanzienlijk deel van ons buitenlandbeleid inhoudelijk door buitenlanders wordt geschreven.

Dat is een duidelijke schending van onze grondwet en moet zo snel mogelijk rechtgezet worden.

Scholen nemen ouders opvoeding af – 7

Om een verschijnsel te doorgronden, moet men het zowel in zijn totaliteit begrijpen, als in detail.

Het lager en middelbaar onderwijs in Nederland bevindt zich in een fundamentele transformatie, namelijk van een middel tot kennisoverdracht aan kinderen en jongeren, dat erop gericht is om hen de vaardigheden aan te reiken waarmee ze zich later in de maatschappij kunnen redden, naar een middel tot ideologische indoctrinatie van de jeugd als bouwsteen voor een mooie linkse toekomst.

Het onderwijs functioneert als voorpost voor de totale transformatie van de maatschappij door de overheid, althans de ideologische stroming die zich bedient van de dwangmiddelen van de overheid om haar totalitaire doelstellingen te verwezenlijken.

Het middel dat gebruikt wordt is het meest dodelijke dat er is: de salamitactiek. Ook wel bekend als “gradualism”, “incrementalism” of “totalitairian tiptoe”. De salamitactiek is bedoeld om het bewustzijn af te dempen en verzet te ontmoedigen.

Als je immers een maatregel, die de meerderheid van de betrokkenen niet wenst, direct invoert of aankondigt, beseffen de betrokkenen dat er een situatie gecreëerd wordt die schadelijk is voor hun toekomstige belangen en komen zij in het verweer. Het is mogelijk dat door dat verzet de maatregel niet kan worden ingevoerd en het hele project, met alle verheven einddoelen, loopt gevaar.

Daarom is het voor een succesvolle salamitactiek belangrijk dat je je doelstellingen niet uitspreekt.

Als je bijvoorbeeld van plan bent om in Hongarije tussen 1945 en 1948 een communistische eenpartijstaat op te richten, moet je dat niet openlijk verklaren. Je moet een voor een de katholieke uitgeverijen, scholen en andere instellingen sluiten, het liefst naar aanleiding van een incident of zo. Vervolgens gebruik je het verzet daartegen om de geheime politie extra bevoegdheden te geven, etc.

Als je vanaf het begin al de droom hebt gehad om een Europese superstaat te stichten, maar de meerderheid van de bevolking van de betrokken landen voelt daar niets voor, moet je geleidelijk te werk gaan: eerst een pilot in de vorm van een beperkte douane-unie in de vorm van de Benelux, eerst samenwerking op het gebied van kolen en staal. Dan het project afschilderen als vorm van economische samenwerking en uitbreiden naar andere sectoren van de economie, vervolgens een gezamenlijke munt introduceren – opnieuw met economische argumenten – en uiteindelijk via kunstmatig gecreëerde crises steeds meer supranationale bevoegdheden en instellingen creëren. Waarbij de instellingen in werkelijkheid vaak al bestaan voordat ze op papier worden opgericht. Totdat de nieuwe generatie wakker wordt in wat Vladimir Bukovsky van het Cato-instituut de “EUSSR” noemt, een slap aftreksel van de socialistische dictatuur die van 1917 tot 1992 een groot deel van Eurasië heeft bestreken.

Hetzelfde geldt voor de transformatie van het onderwijs van kennisoverdracht naar ideologische indoctrinatie.

Je moet het niet zeggen, maar wel doen, beetje bij beetje. Daarom zijn details zo interessant.

Vergelijk het met een ruziezoeker, die op straat steeds iets dichter bij je komt te staan. Op een gegeven moment heeft hij al je persoonlijke ruimte afgepakt, maar als je die wilt terugpakken, moet je of wegvluchten, of hem terugduwen. In het eerste geval doe je vrijwillig afstand van je territorium, in het tweede geval kan hij verontwaardigd zeggen dat jij de gewelddadigheden bent begonnen.

In werkelijkheid is hij natuurlijk de agressor, maar hij is zo slim geweest om zijn agressie in delen te hakken en te maskeren, waardoor hij jouw reactie kan gebruiken om zijn eigen strategische doelstellingen te bereiken.

Om slechts drie details van de onderwijstransformatie te noemen, die via ons via ons netwerk bekend zijn geworden:
1 – de kinderen van klas 4 mogen van de school geen pindakaas op hun brood smeren.
Formele reden: beperken van risico op een aanval, omdat een jongetje in de parallelklas (sic!) allergisch is voor noten.
Werkelijke reden: afbraak van weer een klein stukje van de macht van de ouders, die tot dan toe bepaalden wat een kind niet mag eten.

2 – de kinderen van de hele lagere school moeten op vrijdag fruit meenemen naar school.
Formele reden: bijdragen aan de gezondheid van de kinderen door stimuleren van gezonde voeding.
Werkelijke reden: afbraak van weer een klein stukje van de macht van de ouders, die bepalen wat hun kind moet eten.

3 – de kinderen van klas 5 krijgen “verkeersexamen”. Het is natuurlijk niet de zaak van de school, maar van de ouders om de kinderen te leren om veilig deel te nemen aan het verkeer. Voor “verkeersexamen” moet je een fiets hebben. De fiets moet in goede staat zijn. Als de fiets niet in goede staat is, bijvoorbeeld doordat het achterlicht het niet doet, kan je kind een onvoldoende krijgen. Voor de beoordeling van de staat van onderhoud van de fietsen, worden vrijwillige klassenouders ingeschakeld.
Formele reden: bijdragen aan de veiligheid van de kinderen door hen te leren fietsen en op het onderhoud van de fiets te controleren.
Werkelijke reden: weer een kleine inbreuk op de particuliere levenssfeer van het gezin. Verkeersopvoeding wordt afgepakt van de ouders en tot vak gebombardeerd (1e stap), dan worden ouders gedwongen om een fiets aan hun kinderen ter beschikking te stellen (2e stap) – als zij die niet hebben, dan moeten ze er een kopen -, vervolgens wordt de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de fiets van de ouders afgenomen (3e stap) en tenslotte moeten ouders zich laten welgevallen dat andere ouders mede bepalen of hun kind een voldoende of onvoldoende krijgt voor het verkeersexamen (4e stap). Met dat laatste wordt, niet in graad maar wel in principe, weer een klein kenmerk van de totalitaire regimes in Oost-Europa tussen 1945 en 1989 overgenomen: verdeel- en heers tussen de ouders.

Deze drie details tonen, juist omdat het om kleine voorbeelden uit de dagelijkse praktijk gaat, dat scholen de opvoeding van de ouders geleidelijk aan afpakken. Als je de lijn doortrekt, zal het proces over 10 tot 20 jaar voltooid zijn en is de strategische doelstelling uit het Communistisch Manifest van Karl Marx en Friedrich Engels (1948) en van de naoorlogse culturele marxisten om het gezin te ontbinden, voor een belangrijk deel bereikt.

En de ouders? Ouders die zich bewust zijn van hun grenzen en die van anderen, zouden natuurlijk moeten weigeren om als verlengstuk van de leerplicht een beoordeling te geven die direct uitwerking heeft op het cijfer dat kinderen van andere ouders voor een vak krijgen. Maar daar zijn er op dit moment heel weinig van. Ouders zijn nog steeds niet wakker en laten alles gewoon gebeuren.

Kloof tussen volk en politiek nog nooit zo groot geweest

De afgelopen twee weken heeft de redactie in het kader van het referendum over de eerste stap tot toetreding van de Oekraïne tot de Europese Unie in samenwerking met de Stichting European Language Rights fervent campagne gevoerd. Wij hebben gefolderd in Amstelveen, Amersfoort, Zeist, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede en Soesterberg en circa driehonderd personen aangesproken.

Ons eerste doel was het informeren van de kiezer over de échte werkelijkheid – dus niet die van Pechtold – van de situatie in de Oekraïne die in de media niet aan bod komen, zoals de grootschalige schending van de taalrechten van de Russische gemeenschap in dat land. Het tweede doel was om onze keuze voor een tegenstem toe te lichten. Ons derde doel was om de kiezer ertoe aan te moedigen om aan het referendum deel te nemen, ook al stemt hij vóór het associatieverdrag tussen EU en de Oekraïne.

Het meest schokkend van onze ervaring was het feit dat de overgrote meerderheid van de personen die wij hebben aangesproken, blijk gaf van een diep gebrek aan vertrouwen in de politiek en in het nut van stemmen. De heersende mening was dat stemmen toch geen zin heeft, omdat politici, eenmaal verkozen, toch niet doen wat ze beloofd hebben. Politici laten zich wel door de burgers kiezen, maar vertegenwoordigen hen niet.

Een gesprek van twee minuten bleek echter genoeg om 90% van de sceptici van gedachten te veranderen. Neemt men de onwetendheid weg, dan keert het geloof vanzelf terug.

In dit geval betrof de onwetendheid het verschil tussen referendum en kamerverkiezing.

Zodra wij uitlegden dat je bij gewone verkiezingen op een persoon of partij stemt, maar bij een referendum op beleid, keerde de interesse terug. Daarmee worden de tussenpersonen, namelijk de politici, gepasseerd en kan het beleid direct uitgevoerd worden.

Het volk heeft namelijk door dat een stem op een politicus of diens partij na de wittebroodsweken wordt gebruikt om beleid te legitimeren dat het volk niet wenst of waar het nadelige gevolgen van ondervindt. Het is alsof een man tijdens zijn huwelijk alles zelf bepaalt en zich, als zijn vrouw daartegen protesteert, beroept op het feit dat zij destijds voor het altaar voor hem gekozen heeft.

De laatste keer dat het volk een kandidaat werkelijk oprecht vertrouwde, werd die kandidaat twee weken voor de kamerverkiezingen door een linkse fanaticus vermoord. Een linkse rechter gaf de moordenaar vervolgens niet de maximale straf, – zeggende dat de democratie geen blijvende schade had ondervonden van de moord – en vermoordde daarmee de gerechtigheid. De media gingen nog een aantal maanden door met hun demoniseringscampagne – toen Fortuyn immers niks meer kon terugzeggen – en vermoordden daarmee zijn nagedachtenis.

Bij de Fortuyn-revolte – en daarbij bedoelen we de revolutie die de kiezer in het corrupte bestel via Fortuyn wilde bewerkstelligen – werd de volkswil als het ware “geïnvesteerd” in één enkele persoon. Dat gebeurde nadat die de spitsroedeloop van de linkse mediamachine had doorstaan. Niet alleen was hij daar namelijk sterk uitgekomen, hij had er ook zijn authenticiteit mee bewezen en zich derhalve positief onderscheiden van de rest van de verkiesbare politici.

De linkse haatcampagne was op het hoogtepunt van haar intensiteit mislukt en de weg voor Fortuyn lag vrij om nu in alle rust de plannen uit te leggen die hij voor Nederland aan het ontwikkelen was. Maar dat ging niet door de vijf kogels die de ecofascist Volkert van der Graaf op Fortuyn afvuurde en de zesde die mogelijk door een huurmoordenaar van de regering is afgevuurd.

Door dat trauma is Nederland onherkenbaar veranderd. De koningin noemde de eerste politieke moord in Nederland sinds 1619 in haar troonrede later dat jaar niet eens, waarmee zij er in de gebarentaal van de Nederlandse monarchie impliciet haar goedkeuring aan hechtte, en twee jaar later werd regisseur Theo van Gogh vermoord op de dag dat hij zijn film over de moord op Fortuyn had voltooid, en wel door een voormalige AIVD-informant.

In die jaren werd onder het mom van de strijd tegen het terrorisme het fundament gelegd voor een Nederlandse politiestaat. De weerstand daartegen was door dertig jaar linkse hysterie reeds verregaand ondermijnd dus het was een kwestie van “binnenkoppen”. Onze inlichtingendiensten hebben momenteel carte blanche. Dat komt omdat zij niet gecontroleerd worden. De “Commissie Stiekem”, zoals de kamercommissie wordt genoemd die belast is met het toezicht op de inlichtingendiensten, heeft immers niet het recht om na te gaan waar informatie vandaan komt. Als er wordt gezegd dat er een terroristische aanslag voorbereid wordt, of dat er überhaupt een continue terroristische dreiging is, moet zij ja, satan, amen, zeggen. Inlichtingendiensten weigeren om die informatie te delen, omdat hun werkwijze daar zogenaamd mee in gevaar zou komen.

Daarmee zijn ze in feite een staat binnen een staat geworden, net zoals de KGB in de Sovjet-Unie.

Als referenda frequent worden gehouden, kunnen zij het fenomeen Fortuyn vervangen.
Het was immers niet Fortuyn die de revolutie bewerkstelligde, maar het volk dat via hem zijn invloed op het bestuur terug wilde. Net zoals het nu niet uitmaakt wat de motieven van de initiatiefnemers van het referendum zijn, maar slechts de uitslag telt.

Bij referenda kan het volk zich rechtstreeks uitspreken over het beleid dat Nederland moet volgen, en dan is dus een persoon als Fortuyn, die de volkswil als het ware belichaamt, niet meer nodig. Fortuyn zou het niet erg gevonden hebben.

Bij kiezen op een persoon is het immers afwachten of hij zal doen wat hij beloofd heeft of niet. Als er echter direct voor of tegen een maatregel gestemd wordt, valt de tussenpersoon weg en kun je gelijk overgaan naar de uitvoering van het besluit. Dat is dat een veel zuiverder uitdrukking van de soevereiniteit het volk, en dus veel democratischer, dan het stemmen op personen in een partijenstelsel dat bovendien aanzienlijk corrupter is dan men denkt.

Het instrument van het referendum moet dus verder ontwikkeld worden. De opkomstdrempel moet verlaagd worden van 30% naar maximaal 20%. Waarom? Daarvoor zijn talrijke redenen die u kunt lezen in het boek van Jos Verhulst “Het verdiepen van de democratie. Feiten, argumenten, ervaringen omtrent de invoering van het referendum”.. Onze reden is als volgt: als u een partij het mandaat geeft om een regering te vormen en vier jaar lang te regeren, zal die regering samen met het parlement enkele honderden maatregelen nemen. Die worden allemaal gelegitimeerd door één stem. Als u zich als kiezer uitspreekt over slechts één van die honderden maatregelen, dan is het soortelijk gewicht van de legitimiteit van die maatregel veel hoger.

Het referendum moet natuurlijk bindend gemaakt worden. Zo kan het volk rechtstreeks wetten uitvaardigen. Referenda moeten bovendien frequent gehouden worden, zodat het een zinvol en relevant instrument wordt. Nieuw steunpakket aan Zuid-Europa? Referendum. Deelname aan buitenlandse oorlogen? Referendum. Inperking van vrijheden in de strijd tegen terroristen die onze vrijheid willen afpakken? Referendum. If you can bank online, you can vote online.

Daarmee kan het beleid gedemocratiseerd worden, want de meeste belangrijke maatregelen ontstaan zonder steun van de meerderheid van de bevolking.

Daarmee zijn we er echter nog niet, want uiteindelijk is de basis van macht kennis. Kennis is macht en als je de macht wilt democratiseren, moet je kennis verspreiden. Er moeten nog twee dingen gebeuren voordat Nederland weer op de juiste weg is.

1 – De macht (van overheden) zelf moet aanzienlijk verkleind worden. Vrijheid heeft immers niet alleen te maken met hoe de macht tot stand komt, maar vooral met hoever zij zich uitstrekt. Er wordt wel eens gezegd dat een moderne democratische regering meer macht heeft dan de Zonnekoning Lodewijk XIV. De zonnekoning kon over veel minder zaken beslissen dan de huidige overheid. In dat opzicht klopt dat. De macht van lokale, provinciale en nationale overheden moet zich dus beperken tot het meest noodzakelijke aangelegenheden. Het uitgangspunt moet zijn om zoveel mogelijk macht en ruimte aan het individu te laten. Als de overheid beslist welke geneeswijzen je mag raadplegen, wat je kinderen op school leren, hoe je je afval weggooit en voorts in de praktijk via allerlei heffingen 70%-80% van je inkomsten afroomt, wordt je vrijheid inhoudelijk uitgehold. Want je hebt geen keuzevrijheid meer, geen bewegingsvrijheid, geen financiële ruimte, etc.

2 – Kennis moet ook gedemocratiseerd worden, anders blijft het mogelijk dat een goed opgeleide elite bewust de massa’s manipuleert, omdat zij over kennis beschikt die de massa’s niet hebben. Dat betreft niet alleen opleidingen, organisatorische en financiële kennis en sociale netwerken. Het betreft ook psychologische kennis, met name massapsychologische kennis.

Daarbij wordt op het onderbewuste van de massa’s ingewerkt, op een wijze die vergelijkbaar is met de werking van reclameboodschappen. Men wordt blootgesteld aan reclame en denkt dat men daartegen bestand is, maar dat is niet het geval, want onderzoek heeft aangetoond dat bij de keuze voor het ene of het andere wasmiddel, de keuze toch uitvalt voor het product dat het meest geadverteerd is.

Zoals iedereen het verleden met zich meedraagt, totdat hij eigen keuzes gaat maken, zo moet echter ook de referendumbeweging zich emanciperen van haar verleden, namelijk haar linkse achtergrond. Zaken die bij de libertarische beweging of bij klassieke liberalen al decennialang bekend zijn, moeten daar nog worden uitgevonden.

Een van die zaken is de subversieve werking van de beginselen van de Frankfurter Schule, ook wel het culturele marxisme genoemd. Die beweging wil alle collectieve morele beginselen van de samenleving geleidelijk ondermijnen en uiteindelijk vernietigen.

Die beginselen moeten inderdaad verdwijnen, maar zij moeten niet moedwillig worden geliquideerd, zoals de cultureel marxisten beogen, want dan verzinkt de mensheid in een afgrond van immoraliteit. En uit die afgrond zal een beest verrijzen dat veel erger is dan de totalitaire stelsels die we in de 20e eeuw hebben leren kennen die samen omstreeks 200 miljoen slachtoffers hebben gemaakt en talrijke samenlevingen definitief hebben verwoest.

Wat er moet gebeuren is dat de collectieve morele waarden die de afgelopen eeuwen leidraad zijn geweest, geleidelijk aan worden afgelost door individuele waarden, door bewustwording, door bewuste individuele morele keuzes. Dan zullen de collectieve waarden vanzelf van de burgers afvallen, zoals een rups uit een cocon kruipt en een vlinder blijk te zijn en zijn vleugels uit kan slaan.

Het cultureel marxisme heeft na de Tweede Wereldoorlog een aantal doelstellingen verwoord, waaronder
1 – Het strafbaar stellen van “racisme”
2 – Permanente verandering om verwarring te scheppen
3 – Het onderwijzen van seksualiteit en homoseksualiteit aan kinderen
4 – Het ondermijnen van het gezag van scholen en onderwijzers
5 – Massale immigratie teneinde nationale identiteiten te vernietigen
6 – Het aanmoedigen van het gebruik van verdovende middelen
7 – Het leegtrekken van de kerken
8 – Een onbetrouwbaar rechtsstelsel dat bevooroordeeld is tegen slachtoffers van misdrijven
9 – Het creëren van afhankelijkheid van de overheid en van uitkeringen
10 – Controle over en infantilisering van de media
11 – Het aanmoedigen van de het uiteenvallen van het gezin

Je hoeft geen genie te zijn om te zien dat het merendeel van deze doelstellingen is bereikt.

Een van de ontwikkelingen die nog uit het cultureel marxisme stammen, is de aanval op het verschil tussen mannen en vrouwen. Als je katholiek was of moslim, zou je dit zien als een aanval op de door God geschapen orde, op de Schepping zelf. En dat doen veel moslims in het westen. En terecht.

De Heer heeft de mens geschapen Man en Vrouw. En de Satan is het daar niet mee eens, dus moet het kapot. Dat lukt aardig.

Mensen leven op aarde in een mannelijk of vrouwelijk lichaam. Daar is niets mis mee, want ze zijn gelijkwaardig en vullen elkaar aan. Als een individu in het ene leven man is, incarneert hij later een keer als vrouw en zo kan zijn ziel een volwaardige ontwikkeling doormaken. Er is dus niets verkeerds of oneerlijks aan het feit dat de mensheid bestaat uit mannen en vrouwen.

Daarom is het uitwissen van de verschillen tussen man en vrouw, met ideologische of wetenschappelijke middelen, ook een dwaling. Sterker nog, de campagnes die in Frankrijk onder de naam “Le Gender” en in Duitsland onder de noemer “Frühseksualisierung” gevolgd worden, onder de linkse regering van Hollande en in die Duitse deelstaten waar de Groenen en de socialisten aan de macht zijn, zijn gericht op het vernietigen van de Europese cultuur, geheel in lijn met de naoorlogse droom van de gestoorde geleerden van de Frankrufter Schule.

Dat gebeurde allemaal op de bekende linkse wijze: tolerant en een al liefde aan de buitenkant, dwang en vernietiging aan de binnenkant. De eerste ouders die niet mee wilden doen aan seksuele voorlichting voor kinderen van 9 tot 12, zijn al in de gevangenis gegooid. Tegenstanders van het vertonen van blowjobs aan hun kind van 8 zijn al gelijkgesteld aan moordzuchtige homohaters.

Onder het leugenachtige voorwendsel van aanleren van respect voor diversiteit, worden kinderen blootgesteld aan pornografische beelden en teksten. Die zijn dermate schokkend en verwarrend, dat de zwakkeren onder hen daardoor dermate getraumatiseerd worden dat ze later geen zelfstandig oordeel meer kunnen vormen, dus ook de regering niet meer kunnen kritiseren.

Voeg dat bij de linkse kruistocht tegen “oordelen” in het algemeen, en je begrijpt dat we hier een tendens waarnemen van het doelbewust kweken van een generatie willoze schapen.

De politiek van de Groenen is te ziek voor woorden: Het is in feite een pedofiele fantasie om volwassen seksuele taferelen aan kinderen te willen laten zien en dat is ook geen toeval, want de linkse beweging heeft de pedofilie altijd hoog op de agenda gehad.

Waar praktiserende pedofielen wat vaker in conservatieve partijen worden aangetroffen, zit de goedpraterij van pedofilie altijd links. In Nederland had de extreme-linkse Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) zelfs de legalisering van pedofilie in haar partijprogramma opgenomen. Het is ook geen toeval dat restanten van die partij in GroenLinks zijn opgegaan. Ook de Oppergroene Cohn-Bendit heeft in een van zijn boeken ontuchtige handelingen met kinderen op de crèche beschreven, waarvan hij later beweerde die niet echt verricht te hebben, maar slechts als provocatie op die manier te hebben opgeschreven.

Kijkt men op de website van het TTIP-referendum, dan blijkt dat de linkse fanatici van het referendumplatform gevallen zijn voor de perverse en subversieve aanval van de culturele marxisten op het evidente en natuurlijke onderscheid tussen man en vrouw.

Als je wilt stemmen voor het houden van een referendum over het handelsverdrag TTIP, moet je aangeven of je wilt worden aangesproken met “Mevrouw” of “De heer” of “anders”.

Maar what the fuck is “anders” bij die zieke linkse geesten?

Hermafrodiet? Hermanfrodiet? Bestiafiel? Engel? Demon?

Je kunt een man zijn die een vrouw wil zijn en een vrouw die een man wil zijn, maar dan ben je nog steeds een vrouw of man. Dus wat is “anders” dan een man of vrouw?

Wat willen die zieke lui?

Onze democratie redden, maar onze cultuur vernietigen?

Bevordert associatieverdrag handel en veiligheid?

Alexander Pechtold, fractieleider van Democraten 66, is een van de meest fervente voorstanders van het associatieverdrag tussen de Europese Unie en Oekraïne dat vandaag in een raadgevend referendum ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het Nederlandse volk. Een referendum waarvan Pechtold overigens de noodzaak helemaal niet inziet, waarmee maar weer eens blijkt dat bestuurlijke vernieuwing bij de D66 in werkelijkheid een wassen neus is – maar dit terzijde.

De afgelopen dagen was hij frequent te zien op televisie en te horen op de radio om zijn standpunt toe te lichten. Hij concentreerde zijn betoog daarbij op drie kernargumenten, namelijk:
1 – Handel
2 – Veiligheid
3 – Help “de jonge generatie” om zich te bevrijden van het verleden

De eerste twee argumenten willen de kiezer overtuigen dat het verdrag gunstig is voor zijn eigen belang doordat handel en veiligheid toenemen, de derde argument is altruïstisch en suggereert dat de Oekraïense jeugd zonder aansluiting bij de Europese handelsruimte veroordeeld is tot een terugval in de duisternis van het sovjet-verleden.

Met het laatste argument appelleert Pechtold aan de vanzelfsprekende wens van de post-68 generaties om zichzelf vrij te ontwikkelen en ook anderen daartoe grootmoedig in staat te stellen.

Laten we de kernargumenten van Pechtold nader beschouwen. Wat bedoelt hij met “de handel”?

De Nederlandse handel, waarschijnlijk. De buitenlandse handel. Maar Nederland handelt met bijna de hele wereld. Handel dus met wie? Met China? Met Canada? Met Suriname? Nee, Pechtold bedoelt de handel tussen Nederland en Oekraïne, dus een zeer klein aandeel van onze buitenlandse handel.

Is het associatieverdrag goed onze buitenlandse handel? Nee, natuurlijk niet. De handelsbetrekking met Rusland zullen namelijk juist te leiden hebben onder ratificatie en inwerkingtreding van het verdrag, en de handel met Rusland is vele malen groter dan die met de Oekraïne.

De buitenlandse handel zal er dus door geschaad worden. Significant en substantieel geschaad worden, als we het in D66-taal mogen formuleren.

En hoe zit het met de veiligheid? Wiens veiligheid? Artikel 4 lid 2f van het associatieverdrag stelt dat er “meer samenwerking tussen de partijen op het vlak van veiligheid en defensie” moet komen. Dat zou in de praktijk de vorm krijgen van gezamenlijke militaire oefeningen en geleidelijke integratie in de NAVO. Rusland ziet dergelijke oefeningen aan zijn grenzen als een provocatie. Als de tweede militaire mogendheid ter wereld door dergelijke oefeningen wordt geïrriteerd, hoe draagt zulks dan bij aan “de veiligheid”?

Het voorstel tot nauwere militaire samenwerking tussen de EU en Oekraïne is juist een voortzetting van de conflictstrategie die Europa sinds de wederopstanding van Rusland op het wereldtoneel volgt. Enerzijds is en blijft de Europese defensie kansloos tegen een mogelijke Russische aanval, omdat de strijdkrachten van de lidstaten decennialang zijn uitgekleed en bovendien worden opgeleid om “vredesmissies” buiten het continent uit te voeren en niet meer getraind zijn op het verdedigen van de eigen landsgrenzen. Anderzijds wordt Rusland steeds meer geprovoceerd met uitbreiding van de NAVO naar het oosten, met financiële en economische sancties wegens de “annexatie” van de Krim, met een kunstmatig lage olieprijs, met onnodig beledigende uitspraken door de presidentskandidate Hillary Clinton aan het adres van de president van de Russische Federatie Vladimir Poetin, et cetera.

D66 is geen voorstander van defensieve herbewapening van de Nederlandse strijdkrachten, maar wel van maatregelen die het militair superieure Rusland tot op het bot tergen. Het lijkt haast of de strekking van het beleid is om Rusland tot een wanhoopsactie tegen Europa aan te zetten, terwijl Europa door het gat in de anti-tankcapaciteit weerloos moet blijven tegen de Russische conventionele overmacht.

Ook het derde argument snijdt geen hout. Want welke “jonge generatie” kan zich door het associatieverdrag eigenlijk bevrijden van het verleden?

Oekraïne bestaat voor ongeveer de helft uit Oekraïners en voor de helft uit Russischtaligen. West-Oekraïne is traditioneel wat meer op het westen gericht, en Oost-Oekraïne wat meer op Rusland. Dat ging prima, zolang niet één van beide kanten de macht naar zich toe wilde trekken.

Onder het regime van Porosjenko zijn de taalrechten van de Russische gemeenschap echter aanzienlijk ingeperkt. Daarmee is een signaal afgegeven aan de Russische helft van de bevolking dat zij erop kunnen rekenen als tweederangs burgers behandeld te worden.

Sterker nog, de dag na het bezoek van Europarlementariërs Guy Verhofstad en Hans Van Baalen aan Kiev in 2014, nam het Oekraïense parlement een wet aan die de tweetaligheid van het land praktisch afschafte. Dit terwijl de Europese Unie nota bene officieel – let wel, officieel – het garanderen van taalrechten aan bijvoorbeeld de Hongaarse minderheid in Roemenië als voorwaarde had opgenomen voor het opnemen van dat land in de EU in 2007. Een sterk staaltje van Brusselse hypocrisie en amnesie zou een EU-scepticus dit wellicht noemen.

De wet werd later deels teruggedraaid, maar de boodschap aan de Russischtalige Oekraïners was duidelijk.

Waar dus de Oekraïense “jonge generatie” wordt bevrijd van het verleden, wordt de Russischtalige jonge generatie beroofd van haar toekomstperspectief. Sterker nog, zij wordt veroordeeld tot een toekomst onder het corrupte regime van premier Porosjenko, die er zijn hand niet voor omdraait om een voormalige buitenlands staatshoofd, Mikheil Sjaakisvili, een paspoort toe te stoppen en tot gouverneur van een Oekraïense provincie te maken die groter is dan zijn voormalige land Georgië. De ultieme vernedering voor de Russischtalige burgers van Oekraïne, dat zelfs een Georgiër met een buitenlands paspoort de voorkeur krijgt boven alle mogelijke Russischtalige kandidaten. Porosjenko, die zijn persoonlijke vermogen van 720 miljoen dollar tijdens zijn ambtsperiode met 20% heeft weten te vermeerderen.

De argumentatie van Pechtold draagt inhoudelijk niets bij tot verheldering van de kwestie waar morgen over gestemd wordt. Zij onthult echter haarfijn dat een politicus, mits hij sympathiek en gematigd is in zijn houding, ongestraft verregaand demagogie en volksverlakkerij kan bedrijven.