Recensie van Richard Cottrell’s “Gladio” – 1

De voormalige Britse europarlementariër Richard Cottrell heeft vorig jaar het buitengewoon interessante “Gladio – Nato’s dagger at the heart of Europe” uitgebracht. Het is een bijgewerkte versie van zijn eerder verschenen boek met dezelfde titel.

Het boek combineert drie zaken: ten eerste een overzicht van de activiteiten van het geheime partizanenleger dat de Britten reeds tijdens de Tweede Wereldoorlog onder de naam ‘Special Operations Executive” (SOE) in Europa hadden opgezet. Na de oorlog werd SOE gehandhaafd als “stay behind network”, dat wil zeggen een geheim leger dat na een mogelijke bezetting door de Sovjet-Unie contact moest opnemen met het hoofdkwartier en op het juiste moment sabotagedaden moest verrichten. Daartoe werden wapenvoorraden en communicatie-apparatuur op geheime locaties begraven.

Dit geheime leger werd uitgebreid naar meer dan vijftien landen, waaronder Groot-Brittannië, Nederland, België, Frankrijk, Duitsland en Italië. De geheime legers hadden in elk land codenamen, maar het geheel van de organisatie werd genoemd naar de Italiaanse afdeling die Gladio heette, naar het korte tweesnijdende zwaard van de gladiatoren.

Het Gladio-netwerk dwaalde af van zijn oorspronkelijke nobele en dappere doelstellingen – een beetje zoals de maffia, die begon als verzetsnetwerk tegen de centrale bezettingsautoriteiten op Sicilië, maar eindigde in drugshandel en andere georganiseerde criminaliteit – en nam gaandeweg het karakter aan van een privéleger van de elites, met name van het militair-industrieel complex.

Naast de taak van organiseren van verzet in geval van bezetting van West-Europa door de legers van het Warschaupact, kreeg Gladio de taak erbij om interne ondermijning van de staat tegen te gaan.

Deze taakomschrijving werd door criminele elementen in westerse regeringen, strijdkrachten, inlichtingendiensten en elitaire genootschappen zodanig opgerekt dat zij de rechtvaardiging vormde voor een serie bloedige aanslagen op burgerdoelen in Duitsland, België en Italië. Deze aanslagen werden vervolgens toegeschreven aan extremistische linkse en rechtse groeperingen.

Sterker nog, Gladio, dwz westerse militaire en civiele inlichtingendiensten, infiltreerden in extreem-linkse en extreem-rechtse groeperingen om die, indien dat nodig was, te radicaliseren en tot geweld aan te zetten.

Het doel was om de macht van het politieke centrum te verharden, en de opkomst van alternatieven, bijvoorbeeld de Italiaanse communistische partij, te verijdelen. Dat laatste is in strijd met de beginselen van een liberale maatschappij, want als de Italianen inderdaad “zo gek” waren geweest om via de stembus het eurocommunisme aan de macht te brengen, hadden zij zelf het recht moeten hebben om de gevolgen daarvan aan den lijven te ervaren. Elk mens heeft het recht op een foutje en elk volk heeft het recht op zijn eigen desillusie.

De bomaanslag op het station van Bologna op 2 augustus 1980 werd direct na de aanslag door de “christen-democratische” premier Francesco Cossiga toegeschreven aan de Italiaanse Rode Brigades. Al snel bleek echter dat de bomaanslag, – die aan 85 burgers het leven had gekost, waaronder vrouwen en kinderen -, door Gladio-officieren van de Italiaanse inlichtingendienst was georganiseerd en door de extreem-rechtse Nuclei Armatie Revoluzionari was gepleegd. De Italianen begrepen toen dat ze geregeerd werden door een “staat binnen een staat”.

De redactie heeft echter aanwijzingen dat deze neofascistische groepering mogelijk functioneerde als dekmantel voor de eigenlijke uitvoerder van de bomaanslag, die door de Nederlandse militaire inlichtingendienst zou zijn aangestuurd. Gezien de officiële geheimhouding rondom de militaire inlichtingendienst en de angst die zelfs vandaag de dag nog heerst onder voormalige agenten van Gladio, is het echter niet mogelijk om deze aanwijzingen te onderbouwen en zijn we aangewezen op de verklaring die een voormalige agent van Gladio in januari 2015 in een interview aan onze redactie heeft gedaan.

Gezien het feit dat bomaanslagen op burgers gelden als oorlogsmisdaad, dan wel als terroristische aanslag en dat die zaken niet verjaren, hebben wij de geluidsopname van het interview bij de Amsterdamse politie ingeleverd, met het voorspelbare resultaat dat die daar niets mee gedaan heeft. Het Amsterdamse corps is een van de slechtste van West-Europa en bestaat, naast een kern van voortreffelijke rechercheurs, uit een meerderheid van lakse risicomijders die een doortastende aanpak afdoen als oncollegiaal.

Toen de redactie op 27 januari jl de straat inreed, waar de Gladio-veteraan woonde, werd onze Suzuki Swift hard geramd door een wit bestelbusje dat de rijbaan versperde, achteruit raasde en de andere weghelft op draaide precies op het moment dat onze Swift een inhaalmanoeuvre inzette, met een schade van 3000 euro tot gevolg.

Dat zal ongetwijfeld toeval zijn, maar als je het in een thriller zou lezen, zou je denken dat het een waarschuwing was om niet meer met deze Gladio-veteraan te gaan praten.

De Gladio-agent zelf is op zijn vingers getikt en ziet ondanks herhaaldelijke verzoeken onzerzijds af van verdere interviews. Het betreft een door en door immoreel persoon die bekend heeft vrouwen en kinderen te hebben vermoord, maar er prat op gaat daar geen spijt van te hebben, die vanaf zijn balkon kindertjes filmde, zodat hij gesommeerd werd om de webcam te verwijderen en die merkwaardig genoeg in 2006 voorkwam op de ledenlijst van een bekende Amsterdamse vrijmetselaarsloge. Kortom, een psychopaat met mogelijk een sadistische persoonlijkheidsstoornis, die zijn best doet om zich te vermommen als een fatsoenlijke burger.

Het is bekend dat bepaalde Westerse inlichtingendiensten in de jaren ’60 en ’70 doelbewust psychopaten hebben opgeleid. Dat is begrijpelijk. Om een reguliere terrorist te doden, heb je een gemotiveerde soldaat nodig, maar om een groep burgers op te blazen in het kader van een “strategy of tension” door geheime diensten van NAVO-landen, heb je een volslagen gestoorde psychopaat nodig.

Dat wordt geïllustreerd door het bezoek van Eisenhower, Bradley en Patton aan het concentratiekamp Ohrdruf nabij Buchenwald. Daar lagen doodgehongerde lijken opgestapeld in kamers. Patton, die opschepte dat hij bij zijn veldslagen meer Duitse soldaten over de kling joeg dan menig andere generaal, weigerde om daar naar binnen te gaan, omdat hij dan zeker zou moeten overgeven.

De soldatenmoraal verdraagt geen zinloze wreedheden tegen burgers in vredestijd. Daarvoor moet je psychopaten in dienst nemen.

Het standaardwerk over Gladio, NATO’s Secret Armies: Operation Gladio and Terrorism in Western Europe (London 2004), is overigens geschreven door de de Zwitserse historicus Daniele Ganse, die later ook een kritische analyse heeft geschreven van het officiële rapport over 9/11.

De toegevoegde waarde van het werk van Cottrell is dat dit het fenomeen Gladio – de meest vergaande aantasting van de rechtstaat in West-Europa sinds de Tweede Wereldoorlog – combineert met onderzoek naar de aanslagen in Londen, Madrid en Parijs (januari en november 2015) die in de 21e eeuw zijn gebeurd.

De reden dat het onderwerp Gladio nog steeds zo gevoelig ligt, dat onderzoekshandelingen anno 2016 nog manu militari worden ontregeld, is dat het hoofdstuk Gladio geen afgesloten historisch onderwerp vormt, maar dat er naar alle waarschijnlijkheid een continuïteit tussen de activiteiten van het netwerk in de jaren 1970 en 1980 is, en de actualiteit van 2001 tot 2016.

Gladio ís waarschijnlijk nog helemaal geen geschiedenis, maar onderdeel van de actualiteit en probeert de maatschappij opnieuw te destabiliseren door in scène gezette terroristische aanslagen, die dit keer aan islamitische terroristen worden toegeschreven.

Dát is de verdienste van het boek van Cottrell. De auteur trekt enkele overtuigende parallellen tussen de Gladio-aanslagen tijdens de Koude Oorlog en die in de “nieuwe” koude oorlog tegen radicale islamitische terroristische organisaties als Al Qaeda en Islamitische Staat.

Een derde zaak waardoor het boek van Cottrell opvalt, naast het historische overzicht van Gladio en de verbinding die hij legt met de huidige maatschappij, die opnieuw in angst voor aanslagen leeft en opnieuw kritiekloos allerlei burgerlijke vrijheden inlevert, is zijn centimeters dikke linkse bril.

Zoals elk onderzoek kritisch bekeken moet worden, juist als het waardevolle nieuwe elementen aandraagt, zo valt hier op dat linkse terroristen geen terroristen, maar “Marxist urban guerilla’s” genoemd worden; dat bij de grote tirannen van de 20e eeuw wel Franco en Salazar worden genoemd, maar linkse mmassamoordenaars als Stalin en Mao, die Hitler met een factoor 3 hebben overtroffen, niet; dat Cottrell beweert dat de Russische dreiging tijdens de Koude Oorlog niet bestond en op bluf berustte, terwijl het Warschaupact in de jaren ’80 beschikte over het astronomische aantal van 60.000 tanks, dat hij Ronald Reagan neerzet als een van de grootste rampen die het Westen overkomen is, terwijl we aan deze president de val het communisme te danken hebben, dat bij linkse politici ondanks de massamoorden nog op te veel sympathie kon rekenen; dat de held van de Hongaarse Opstand Imre Nagy een “agent van de CIA” wordt genoemd; dat de CIA verregaand invloed heeft uitgeoefend op het maatschappelijke leven, maar de KGB kennelijk niet; dat linkse scheldwoorden als “Viktator” voor de keurige Hongaarse premier Viktor Orbán zelfs in de namenindex zijn opgenomen (!), etc. Zodanig dat je bijna gaat denken dat Cottrell het jammer vindt dat het communisme gevallen is. Het blijft vreemd voor een man die officieel te boek staat als “conservatief”.

Dat gezegd hebbende, blijft het een absolute must read voor een ieder die het verschil wil leren kennen tussen échte islamistische aanslagen en daadwerkelijke islamitisch gevaar enerzijds, en de mate waarin anderzijds de islamitische dreiging gebruikt, versterkt en zelfs gecreëerd wordt door de westerse elites, met name het militair-industrieel complex.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *