De meisjes zijn het slachtoffer van de seksuele voorlichting

In ons blog van gisteren hebben we één gevolg van de seksuele voorlichting niet genoemd. Wellicht omdat het zo overduidelijk is.

Het zijn de meisjes die er het meeste last van hebben, als er te vroeg met seksuele relaties begonnen wordt.

Bij seks zijn vrouwen degenen die iemand in hun lichaam moeten dulden. Dat is veel intiemer dan voor mannen, die het lichaam van de ander binnendringen.

Als vrouwen hun partner volledig vertrouwen, kunnen ze daar een gevoel van extase aan beleven. Of de seks tenminste beleven als een bevestiging van de intimiteit van hun relatie.

Maar als het op een teleurstelling uitloopt, zijn zij degenen die er het meeste last van hebben, omdat het voor hen veel intiemer is.

Natuurlijk zijn er meisjes die vroeger beginnen dan anderen en daar geen of minder last van krijgen, maar dat is een minderheid. De meeste meisjes die te vroeg beginnen, krijgen er wel last van in hun latere emotionele ontwikkeling en hun relaties.

Als de seksuele voorlichting op lagere scholen leidt tot vroegtijdige seksuele relaties, zijn het dus de meisjes die daar het meeste schade van ondervinden.

Haal seksuele voorlichting onmiddellijk uit het basisonderwijs

Deze week wordt op talrijke scholen in Nederland seksuele voorlichting gegeven. Tot enkele jaren geleden werd dat nog gedaan op de middelbare school bij het vak biologie, maar tegenwoordig gebeurt dat op lagere scholen. Dat houdt in dat seksuele voorlichting nu niet meer aan pubers, maar aan kinderen gegeven wordt. Kinderen in de leeftijd van 8 tot 12.

Welke zieke geest heeft dat bedacht?

Seksuele voorlichting aan kinderen is inmiddels zelfs verplicht gesteld door de onderwijsinspectie.

Dat heeft geleid tot ridicule vormen van “creativiteit”. Juffen die aan de slag gaan met een banaan en twee appels, een condoom over een courgette heentrekken en het gehoor van 8 tot 12-jarigen plastisch proberen uitleggen dat je op verschillende manieren kunt klaarkomen.

Kortom, de grote mensen zijn helemaal de weg kwijt.

Laten we als voorbeeld een school in Utrechtse Heuvelrug nemen die we uit piëteit niet bij naam zullen noemen. Op maandag 20 maart kregen kinderen seksuele voorlichting, waarbij onder andere geslachtsdelen in niets verhullend detail in beeld gebracht werden en de kinderen “leerden” hoe geslachtsgemeenschap verliep.

Hoe reageerde de klas? De meest voorlijke kindjes probeerden stoer te doen, maar de meerderheid van de klas was overstuur. Een kindje moest overgeven.

Dit gebeurt niet alleen op deze school, maar ook op andere basisscholen tijdens “seksuele voorlichting”.

Dat is ook begrijpelijk, want het is volstrekt ongezond om kinderen te confronteren met zaken waar ze nog niet aan toe zijn. Dat kan hun emotionele ontwikkeling ernstig schaden. Kinderen mogen ook geen bier drinken, blowen of autorijden. Het is hetzelfde principes als met films kijken: een film die voor een achtjarige spannend is, kan een kind van vijf nachtmerries geven.

De leerkrachten hebben massaal het belangrijkste principe van elke vorm van onderwijs vergeten, namelijk dat je kinderen bepaalde lesstof pas moet aanbieden, als ze die kunnen verwerken. Dan worden ze erdoor gewapend, nu worden ze er echter door verlamd.

Kinderen tussen de 8 en 12 hebben nog helemaal geen voorstelling van volwassen seksualiteit. Die kunnen ze pas begrijpen als ze zelf seksuele gevoelens gaan ontwikkelen en dat gebeurt tijdens de puberteit, omdat dan de fysiologische veranderingen plaatsvinden, die zulke gevoelens mogelijk maken.

Voor die tijd snappen ze het niet en dat is maar goed ook, want kinderen hebben het recht om gewoon kind te zijn. Het is een misvatting dat kinderen zo vroeg mogelijk volwassen moeten worden.

De seksuele “voorlichting” wordt gerechtvaardigd met allerlei valse argumenten. Een daarvan luidt dat kinderen steeds vroeger in aanraking komen met seksualiteit en daarom zo vroeg mogelijk moeten worden voorgelicht. Maar als dat als probleem gezien wordt, en dat wordt het door iedereen met uitzondering van pedofielen en pedoseksuelen, dan moet je simpelweg voorkomen dat kinderen met seksualiteit in aanraking komen. Geen videoclips die alleen maar over seks gaan, niet reageren op contactverzoeken van onbekenden op social media, etc.

Ten tweede is het niet waar dat kinderen over het algemeen eerder met seks beginnen. Dat geldt slechts voor een beperkte groep kinderen, vaak met specifieke omstandigheden. Ten derde is het causaal verband, als daar al sprake van is, juist omgekeerd, want kinderen hebben juist de neiging om te reproduceren wat ze zien, niet om te doen wat ze te horen krijgen. Vandaar het Engels spreekwoord: “Don’t do as I do, do as I say” dat geldt als voorbeeld hoe je het niet moet doen. Kinderen zullen door “seksuele voorlichting” dus geneigd zijn om eerder met seksuele relaties te beginnen.

Misbruik voorkomen
Een ander vals argument is dat kinderen op jonge leeftijd voorgelicht moeten worden over seksualiteit om te voorkomen dat ze misbruikt worden. Het is echter de vraag of kinderen minder vatbaar worden voor seksueel misbruik, als je ze zo vroeg aan seksuele voorlichting blootstelt. Door het feit dat kinderen leren accepteren dat leerkrachten hen, gebruik makend van hun gezagspositie, nare gevoelens overdragen, leren ze juist van volwassen mensen zaken te accepteren, waarvan ze eigenlijk vinden dat die ongepast zijn. Dat werkt misbruik juist in de hand.

Bovendien ervaren kinderen de voorlichting zelf als schokkend. Een kind zodanig traumatiseren dat het moet overgeven, is een vorm van geestelijk misbruik.

Gelukkig worden
Dan is er de al even valse redenering dat een kind later ongelukkig wordt, als het geen seksuele voorlichting krijgt. Dat is bijna een pedofiele projectie. Als je wilt dat je kind later gelukkig wordt, moet je het juist geen seksuele voorlichting geven, maar beschermen tegen informatie die niet bij de leeftijdsfase hoort.

Als ze van school onbewust de suggestie meekrijgen dat ze op hun twaalfde met seks moeten beginnen, en ze doen dat ook, zullen ze daar later last van krijgen. Als ze dat vrijwillig doen, krijgen ze daar zelfs nog meer last mee, omdat ze dan een negatief zelfbeeld ontwikkelen en met schuldgevoelens te kampen krijgen. Ze moeten inzien dat het misbruik door de context is gegeven. Elke seksuele relatie die voor de puberteit plaatsvindt, berust in feite op een of andere vorm van misbruik.Met seks kun je dus beter een jaar te laat beginnen, dan een jaar te vroeg.

Een ander argument is, dat voorlichting ertoe dient om ongewenste zwangerschappen te voorkomen. Maar dan kan mamma toch ook gewoon aan haar dochter vertellen dat ze voorzichtig moet zijn? Daar hebben we toch geen juf voor nodig, die voor de klas het gebruik va een condoom demonstreert?

Dan is er nog de bewering dat kinderen vóór de ontwikkeling van fysieke seksuele eigenschappen al seksuele gevoelens zouden hebben. Dat is opnieuw een pedofiele projectie, die ongemerkt in de pedagogie is terechtgekomen. Pedofielen hebben seksuele gevoelens voor kinderen en daarom zouden ze willen dat die gevoelens wederzijds zijn. Dat creëert de schijn van gelijkwaardigheid en vrijwilligheid in de relatie van een pedofiel met een minderjarige. Maar dat is niet het geval. Pedofiele relaties zijn nooit “gelijkwaardig”, maar berusten altijd op misbruik van het leeftijdsverschil, van nieuwsgierigheid, van schuldgevoelens of van een afhankelijkheidspositie. Ze leiden ook altijd tot schade in de latere emotionele ontwikkeling van het slachtoffer.

Tenslotte is er de bewering dat personen die geen seksuele voorlichting hebben gehad, ongelukkig zouden worden. En dat voorlichting nodig zou zijn om aan hun latere geluk bij te dragen.

Dat veronderstelt echter dat alle generaties die niet op de lagere school voorlichting gehad hebben, ongelukkig zijn geworden. Maar dat is de hele mensheid tot nu toe! Dat is natuurlijk een absurde claim.

Recht ouders
Los van deze inhoudelijke overwegingen, is de bemoeienis van scholen met de seksuele opvoeding van de kinderen van andermans ouders niet op zijn plaats.

Scholen zijn er om de kinderen onderwijs te geven, maar ouders bepalen wat voor opvoeding ze aan hun kind willen geven. Seksuele voorlichting is een onderdeel van de opvoeding en heeft op scholen dus niets te zoeken.

Het is het exclusieve recht van de ouders om te beslissen wanneer, hoe en óf hun kinderen seksuele voorlichting krijgen.

Haal seksuele voorlichting zo snel mogelijk uit het basisonderwijs. Breng het terug naar biologieles in de tweede klas van de middelbare school of beter nog, bemoei je er helemaal niet mee.

Donald Trump moet folterpraktijken afschaffen

Aangezien ons blog de kandidatuur van Trump voor het presidentschap van de Verenigde Staten van Amerika voorspeld en gesteund heeft, is het nu onze verantwoordelijkheid om te wijzen op de donkere kant van het beleid van deze kandidaat.

Het belangrijkste kritiekpunt op de beleidsvoornemens van Donald Trump, is in de Nederlandse media niet tot nauwelijks aan bod gekomen.

Trump heeft namelijk desgevraagd verklaard dat hij ondervragingstechnieken als waterboarding, stresshoudingen en dergelijke niet gaat afschaffen, maar juist gaat uitbreiden.

De voormalige marinier (Navy Seal) en gouverneur van Minnesota Jesse Ventura heeft zichzelf laten waterboarden om te zien of het echt als foltering kon worden beschouwd en heeft na afloop verklaard dat waterboarden pure foltering is. Ventura noemt waterboarden een “oorlogsmisdaad”, waartoe je je niet moet verlagen als land of als opperbevelhebber. En al helemaal niet als soldaat, die een eed heeft gezworen op de grondwet.

In Hollywoodfilms en Amerikaanse televisieseries is het nog erger. De een na de andere populaire acteur en actrice laat zich door geld of ijdelheid omkopen om het martelen bij het filmpubliek acceptabel te maken. Bruce Willis, Denzel Washington, Jack Bauer, de lijst is eindeloos.

Overheden, dan wel samenlevingen die folteren zijn een nachtmerrie, een eindpunt van de morele ontwikkeling van een volk of een land. Dat mag je nooit toestaan. Als Amerikanen toestaan dat hun regering onschuldige, of zelfs schuldige personen foltert, verliest het land zijn karakter en de morele superioriteit die het in bepaalde opzichten heeft ten opzichte van de rest van de wereld. Daarmee verliest het zijn ziel.

De VS zijn the home of the brave and the land of the free, niet de Capitol uit de Hunger Games.

De VS zijn een van die landen, die in laatste instantie door moraliteit bijeengehouden worden. Niet door bloed, herkomst, religie of ideologie, maar door gezamenlijke waarden, zoals die zijn vastgelegd in de Onafhankelijkheidsverklaring (Declaration of Independence), de Grondwet (Constitution) en de Amendementen (Bill of Rights) van de Verenigde Staten, waarin de individuele rechten worden uitgewerkt. Je kunt ook zeggen: door een geheel aan randvoorwaarden dat de ontwikkeling van het individu wil faciliteren.

Wat dat betreft lijkt het op Frankrijk, dat wordt gedefinieerd door de “republikeinse waarden” (“valeurs republicaines”), samengevat als “vrijheid, gelijkheid en broederschap”. Het verschil is dat de VS aan die gezamenlijke waarden een sterke toekomstgerichtheid hebben gegeven door aan de “onvervreemdbare rechten” van Leven en Vrijheid, die in de Onafhankelijkheidsverklaring in navolging van de filosofie van John Locke zijn vastgelegd, het beginsel van “pursuit of Happiness” toe te voegen. Oftewel de mogelijkheid voor elke Amerikaan om zich te ontplooien.

Het folteren van personen, omdat een opsporingsambtenaar roept dat ze verdacht zijn van terreur, stelt het principe van willekeur in de plaats van dat van de heerschappij van de wet. Nog los van het feit dat 9 van de 10 verdachten van terreur onschuldig zijn. Het is tevens het absolute tegendeel van het principe van ontwikkeling van het individu. Het is een poging om het individu mentaal, emotioneel en fysiek kapot te maken.

Folteren ontmenselijkt de hele maatschappij die het praktiseert. Een samenleving die onschuldige mensen martelt, verdient het om zelf vernietigd te worden. Niet door mij en niet door U, maar door de krachten die worden losgemaakt en die zich uiteindelijk tegen die samenleving zelf keren.

Als het bindmiddel van een land bestaat uit morele waarden in plaats van bloedbanden, dan is het zo dat het schenden van die morele beginselen tot desintegratie van de eigen maatschappij leidt.

Als Donald Trump daadwerkelijk alle Amerikanen wil verenigen, – en we hebben geen reden om aan te nemen dat zulks niet het geval is -, dan moet hij de verwerpelijke praktijk van het folteren van verdachten verbieden. Doet hij dat niet, dan graaft hij zijn eigen politieke graf en zal het zover komen dat verschillende Amerikaanse staten zich gaan afscheiden.

Saint Michael’s harvest song

In autumn Saint Michael with sword and with shield
Passes over meadow and orchard and field.
He’s on the path to battle ‘gainst darkness and strife–
He is the heavenly warrior protector of life.

The harvest let us gather with Michael’s aid;
The light he sheddeth fails not nor does it fade,
And when the corn is cut and the meadows are bare
We’ll don Saint Michael’s armor and onward we’ll fare.

We are Saint Michael’s warriors with strong heart and mind,
We forge our way through darkness, Saint Michael to find.
And there he stands in glory; Saint Michael, we pray,
Lead us into battle and show us the way.

Oorlogsopbouw gaat door

De benoeming van de voormalige secretaris-generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) Anders Fogh Rasmussen tot adviseur van de regering van Oekraïne, is de laatste in een reeks provocaties die bedoeld zijn om Rusland tot een aanval op Duitsland te bewegen.

De provocaties vinden hun oorsprong in de politieke invloed van de neoconservatieven, het zogeheten militair industrieel complex en “rogue factions” binnen de inlichtingendiensten in de Verenigde Staten van Amerika. Daar lijkt de traditionele strategie van het Britse Rijk van peace at home, war abroad in volle glans in werking te zijn.

Buitenlandse oorlogen zorgen ervoor dat de concurrentiestrijd tussen grootmachten om gebied en grondstoffen ver van huis plaats vindt en ze zijn goed voor de economie, omdat de industrie volle kracht aan de slag moet om de oorlogsinspanningen te ondersteunen. Oorlog zorgt voor banen en is goed voor de positie en expansie van bepaalde grote Amerikaanse bedrijven.

Die grote bedrijven hebben traditioneel ook weer invloed op het buitenlandse beleid van de Verenigde Staten, namelijk via de bijdragen die zij leveren aan de verkiezingskas van Amerikaanse presidentskandidaten. In ruil daarvoor is het een ongeschreven regel dat de president later vertegenwoordigers van de lobby’s van die “corporations” benoemt op overheidsposities op beleidsterreinen waar zij aanzienlijke belangen hebben. Een bijdrage in de verkiezingskas wordt bijvoorbeeld niet zelden beloond met een ambassadeurspost in belangrijke staten.

De NAVO is in april 1949 opgericht als uitvoerende organisatie van het Verdrag van Washington dat strekte tot militaire samenwerking tussen Noord-Amerikaanse landen en Europese staten. De militaire alliantie die door de Tweede Wereldoorlog noodzakelijk was geworden, werd na de oorlog in vredestijd voortgezet en kreeg een permanent karakter.

Aanvankelijk had de NAVO een defensief karakter, dat wil zeggen dat het hoofddoel wederzijdse verdediging tegen de dreiging van de communistische landen was, die door de oorlog was toegenomen, omdat de oostelijke helft van Europa door het Rode Leger veroverd was en daar communistische eenpartijstaten waren geïnstalleerd die in de praktijk richtlijnen van Moskou opvolgden.

De dreiging was in militaire zin reëel, want de communistische landen beschikten over een aanvallende militaire doctrine en een overmacht aan conventionele wapens.

In economisch en technologisch opzicht was dat anders, want we weten inmiddels door het voortreffelijke werk van bijvoorbeeld Anthony Sutton en Vladimir Boekovski dat het communistische regime in de Sovjet-Unie vanaf het begin is ondersteund door facties binnen de Amerikaanse en Britse regering, diplomatie, financiële wereld en grote bedrijven.

Men had dus belang bij deze grootse tegenstelling, bij het ontstaan en voortduren van de politieke en ideologische concurrentiestrijd tussen het vrije westen en het communistische blok. Een van de “voordelen” was dat Europa militair afhankelijk bleef van de VS.

Dankzij genoemde auteurs hebben we nu een redelijk beeld van de omvang van de clandestiene westerse hulp aan de communistische dictatuur en kunnen we stellen dat de sovjet-economie in feite voortdurend afhankelijk geweest is van buitenlandse steun. Daaruit volgt dat de westerse elites het systeem van communistische staten praktisch op elk moment hadden kunnen laten instorten, simpelweg door de technologische, financiële en economische steun in te trekken.

Boekovski stelt zelfs dat de val van de Berlijnse Muur in feite 10 jaar uitgesteld is door middel van leningen van westerse banken aan Oost-Europese regeringen in de jaren ’60 en ’70 en aan de Sovjet-Unie in de jaren ’80. Ook is inmiddels bekend dat vertegenwoordigers van de internationale financiële wereld in de jaren ’70 villa’s in Praag gebruikten voor clandestiene ontmoetingen met communistische leiders.

Op strategisch niveau is het voortduren van de Russische dreiging dus altijd vanuit het westen gewild geweest, waardoor men zich kan afvragen of er niet een soort noodrem is geweest, waardoor de dreiging in feite minder actueel was dan zij leek. Een aanval van het Warschaupact op West-Duitsland zou immers het einde van de clandestiene, maar onmisbare steun aan de Sovjet-Unie en haar satellietstaten hebben betekend.

Na de uitgestelde val van het communisme in 1989 viel de rechtvaardiging onder het Verdrag van Washington weg. De NAVO bleef echter bestaan. Het bondgenootschap had geleidelijk aan afgebouwd moeten worden, maar dat is niet gebeurd, want dan was de politieke invloed van de VS op Europa komen te vervallen.

Daarmee werd de kiem gelegd voor de Derde Wereldoorlog, die voortkomt uit de Tweede Wereldoorlog, die weer een gevolg is van de vredesverdragen en ideologieën die uit de Eerste Wereldoorlog zijn ontstaan.

Het bondgenootschap breidde zich bovendien uit naar de grenzen van Rusland doordat voormalige communistische landen als Polen, Hongarije en Roemenië lid werden.

Dit niettegenstaande de belofte van de Amerikaanse regering aan de toenmalige Russische president Michail Gorbatsjov dat de NAVO zich niet oostwaarts van de voormalige Duitse Democratische Republiek zou uitbreiden.

De NAVO veranderde niet van naam, maar wel van karakter: van een defensieve organisatie veranderde zij stilletjes in een expansionistische, imperialistische organisatie.

Momenteel hebben de voormalige Europese grootmachten Frankrijk, Duitsland en Verenigd Koninkrijk in feite geen onafhankelijk buitenlandse politiek meer. Zij zijn feitelijk vazallen van Washington geworden en werken mee aan een koers die slechts kan leiden tot een militair conflict met Rusland.

Om zo’n conflict te vermijden moet Europa zich emanciperen van het Amerikaanse buitenlandse beleid en zich richten op vrede met Rusland en goede betrekkingen met de Angelsaksische landen.

Waar het belang van Europa namelijk is om het continent tegen een eventuele Russische aanval te beschermen, althans aan de buitengrenzen te doen plaatsvinden, is het belang van de VS om het Russische leger tot aan het hart van Europa te laten doorstoten, zodat het kan worden afgesneden, omsingeld en vernietigd. Want alleen zo kan Rusland als rivaal worden uitgeschakeld.

Het Europese belang is dus om in vrede met Rusland te leven en met Rusland handel te drijven, zonder de eigen defensie te verwaarlozen.

Het belang van de VS is echter om te voorkomen dat Europa en Rusland langere tijd in vrede en voorspoed met elkaar leven, omdat het zwaartepunt van de wereldhandel dan geleidelijk aan zou verschuiven van de periferie naar het Euraziatische continent.

Heeft Europa er dus belang bij om een oorlog met Rusland te voorkomen, dan wel aan de oostgrens van Polen op te vangen, de VS spinnen garen bij een succesvolle aanval van Rusland op een tandeloos Europa.
Het Russische leger moet immers ver Europa ingelokt worden, zodat het in zijn totaliteit kan worden vernietigd.

Om een land substantieel te verzwakken en dus te elimineren als concurrent, moet een oorlog lang duren en veel verwoesting aanrichten. Dat is dezelfde logica als die achter het besluit van de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt in januari 1943 om een onvoorwaardelijke overgave te eisen van het nationaal-socialistische Duitsland. Daardoor besloten ook de minder fanatieke Duitse officieren om tot het einde door te vechten, omdat ze niet wilden dat Duitsland een soort kolonie zou worden.

Het is ook dezelfde logica achter het beleid van de geallieerde opperbevelhebber, de “politieke” generaal Dwight Eisenhower, die ervoor zorgde dat de “militaire” generaal George Patton de oorlog niet al in de herfst van 1944 besliste, toen hij binnen twee weken in Berlijn had kunnen staan.

Rusland is de afgelopen 16 jaar wederopgestaan als regionale en mondiale grootmacht. Het is bereid om compromissen te sluiten, maar weigert om de facto tot een vazalstaat van Washington te worden.

Het is binnen die speelruimte dat geprobeerd wordt om Rusland met allerlei provocaties te tergen. De benoeming van Rasmussen tot adviseur van de Oekraïense regering heeft dan ook vooral een symbolische waarde: een voormalige secretaris-generaal van de organisatie die door Rusland als expansief en bedreigend wordt beschouwd, gaat invloed uitoefenen op het beleid van buurland Oekraïne. Dat is een slag in het gezicht van de Russische regering. En zo is het ook bedoeld.

Deze stap volgt op een andere provocatie eerder deze maand, namelijk het aanzetten van het antiballistische raketschild in Deveselu in Roemenië, dat zogenaamd tegen Iraanse raketten, maar in werkelijkheid tegen Rusland is gericht.

Aangezien de politiek van nucleaire afschrikking onder de regering van George Bush junior is vervangen door die van de preventieve nucleaire aanval, maakt Rusland zich terecht zorgen over de plaatsing van die wapensystemen.

Hoewel ook deze provocatie een sterke symbolische waarde heeft – Rusland kan het raketschild met één kruisraket uitschakelen – wordt daarmee toch een begin gemaakt met de ondermijning van de nucleaire afschrikking. Het lijkt het beleid te zijn om nog meer van dergelijke anti-raketschilden neer te zetten, waardoor de Russische koelbloedigheid nog meer op de proef gesteld zal worden.

Het feit dat Russische jagers rakelings langs Amerikaanse oorlogsschepen in de Baltische Zee scheren, moet dan ook gelezen worden als een poging om de Amerikanen te doen beseffen dat ze een uiterst gevaarlijk spel spelen. Het Russische geduld is misschien zo groot is als het land zelf, maar zelfs het uitgestrekte Russische land heeft grenzen.

De overheid wil weten of uw dochter menstrueert

De overheid houdt in het voorjaar van 2016 een “gezondheidsonderzoek”op lagere scholen. Kinderen krijgen op school een keuring van 15 minuten, waar de ouders niet bij mogen zijn. Net zoals bij correspondentie van consultatiebureau’s, krijgt de lezer aanvankelijk de indruk dat het onderzoek verplicht is, terwijl het in werkelijkheid berust op vrijwillige deelname.

Via regionale GGD’s worden “vragenlijsten” naar ouders gestuurd, waarvan het copyright toekomt aan “Robert Goodman 2005”.

De overheid wil van u als ouder weten of uw kind
– alle inentingen heeft gehad
– voor de eerste keer ongesteld is geweest
– rekening houdt met de gevoelens van anderen
– wel of niet lang kan stilzitten
– potloden makkelijk deelt met andere kinderen
– ertoe neigt alleen te spelen
– doorgaans gehoorzaam is en ertoe neigt te doen wat volwassenen vragen
– constant aan het wiebelen of friemelen is
– thuis dingen pikt
– behulpzaam is als iemand zich heeft bezeerd
– zenuwachtig is in nieuwe situaties
– en nog een hoop andere zaken waar ze niets mee te maken heeft, omdat kinderen onder de verantwoordelijkheid van de ouders vallen.

IMG_1805

Tot voor kort was het zo, dat de overheid pas in actie kwam als er zorgen waren over een kind. Dat gebeurt via de instellingen van jeugdzorg, die de laatste jaren sterke kritiek te verduren hebben gekregen omdat ze, zoals zo veel overheidsinstellingen, niet goed zouden functioneren.

Dit onderzoek doet vermoeden dat de overheid zich nu ook preventief met uw kind wil gaan bemoeien.

Daar zit een zekere hypocrisie in, want het is de overheid zelf die de jeugdzorg uit de hand heeft laten lopen doordat er enerzijds niet adequaat gereageerd wordt bij gezinnen waar wel wat aan de hand is en men zich anderzijds vastbijt in gezinnen waar niets aan de hand is. Dat is namelijk makkelijker werken, want ouders van gezinnen waar niets aan de hand is zijn over het algemeen beleefd en coöperatief, terwijl probleemgezinnen vaak agressie hanteren als overlevingsstrategie.

Net als in de voormalige DDR, wil de overheid blijkbaar zo vroeg mogelijk een volledig fysiologisch en psychologisch profiel van haar burgers kunnen opstellen.

Een en ander zal ongetwijfeld gerechtvaardigd worden door de vermeende noodzaak om de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de Nederlandse kinderen te beschermen en te bevorderen – waarin natuurlijk de giftige suggestie schuilt dat ouders dat niet of onvoldoende zouden doen, anders zou het niet nodig zijn – maar het is niet moeilijk om aan de vraagstelling de hand van de Nederlandse Stasi te herkennen.

Het oog van de overheid wil weten of er “loners” zijn, of er kinderen zijn die te veel pesten of gepest worden, bang zijn of niet, aardig zijn tegen jonge kinderen, etc. Type “Unabomber”. Men zoekt naar een mogelijke aanleg, naar een psychologische predispositie voor radicalisering. Men wil potentiële toekomstige Bouyerietjes en Breivikjes zo vroeg mogelijk in beeld brengen.

De overheid maakt daarbij gebruik van de irrationele angst voor terrorisme. De kans dat u bij een terroristische aanslag omkomt is immers nog steeds kleiner dan die dat u omkomt in een verkeersongeval en Nederland staat nog steeds tweemaal daags in de file.

Bovendien is er toenemend bewijs dat westerse geheime diensten terroristen en terrorisme faciliteren omdat men, net als ten tijde van de Koude Oorlog, behoefte heeft aan een vijand om het voortbestaan en de uitbreiding van de eigen instelling te rechtvaardigen. Het verschil is echter dat er tijdens de Koude Oorlog een daadwerkelijke dreiging, maar dat de terroristische netwerken van nu alleen dood en verderf kunnen zaaien, maar het westen nooit essentieel kunnen bedreigen.

De noodzaak om burgers steeds vollediger in beeld te brengen en over iedereen een dossier aan te leggen, is natuurlijk een verzinsel van de overheid. Het is simpelweg de volgende stap van een overheid die steeds meer controle wenst te verwerven over haar burgers, terwijl zij zich eigenlijk zo veel mogelijk zou moeten terugtrekken. Want dat past bij het ontwakend zelfbewustzijn van de moderne burgers.

Het Koninkrijk der Nederlanden wordt langzaam een totalitaire, Orwelliaanse samenleving en als u daar de komende jaren niets aan doet, is het voor uw kinderen en kleinkinderen te laat.

Het “Nederlands” Instituut voor Internationale Betrekkingen

Een soeverein land maakt zelf zijn buitenlands beleid. Daarom is in de grondwet vastgelegd dat alleen burgers van het land functies kunnen bekleden in het openbaar bestuur of zich verkiesbaar mogen stellen. Een Spanjaard mag bijvoorbeeld geen ambtenaar worden voor de Nederlandse overheid. Dat mag pas als hij de Nederlandse nationaliteit verwerft, bijvoorbeeld door een huwelijk met een Nederlandse.

In de particuliere sector geldt dat niet. Een groot bedrijf mag gerust een buitenlandse directeur aantrekken, als die het meest geschikt is om het te leiden.

Als we de totstandkoming van het buitenland beleid van Nederland onder de loep nemem, stuiten we echter al snel op een zorgwekkende anomalie.

Hoe komt ons buitenlandse beleid tot stand?
In Nederland komt het buitenlands beleid inhoudelijk met name tot stand door twee instellingen. Ten eerste natuurlijk het departement van Buitenlandse Zaken dat onder verantwoordelijkheid valt van de Minister van Buitenlandse Zaken en ten tweede het “Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen” Clingendael.

Clingendael _ logo

Daar treedt direct een democratisch probleem op. Clingendael is namelijk een particulier instituut en ressorteert niet onder ministeriële verantwoordelijkheid, terwijl het wel gefinancierd wordt door de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie. Het heeft derhalve geen democratische of constitutionele legitimiteit.

Er staat nergens in onze grondwet: “De totstandkoming van het buitenlands beleid van het Koninkrijk de Nederlanden mag worden uitbesteed aan particuliere instellingen.” Er is ook geen nationale wet waarin Clingendael wordt aangewezen.

Het probleem is dus dat Clingendael een particulier instituut is dat niet onder democratische controle valt, maar wel in belangrijke mate het buitenlandse beleid mag vormgeven. Sterker nog, waar de uitvoerders van ons buitenlandse beleid op het departement zitten, heeft Clingendael het meeste invloed op de totstandkoming van de inhoud van het buitenlandbeleid.

Bovendien, en dat is minstens zo belangrijk, speelt het een cruciale rol in de opleiding van onze diplomaten. Dus het geeft hen de kennis en de waarden mee, waarmee ze later de belangen van Nederland in het buitenland moeten verdedigen. Als onze diplomaten bij het departement aankomen, zijn ze in menig geval reeds door Clingendael gevormd.

Kortom, Clingendael is van beide instellingen die zich met buitenlandbeleid bezig houden de meest invloedrijke.

Wie werken er bij Clingendael?
Daarom is het interessant om te kijken wie er nou bij Clingendael daadwerkelijk werkzaam zijn. Want dat zijn de mensen die het buitenlandse beleid schrijven, althans de beleidsopties prepareren waaruit het departement en uiteindelijk de minister later kan kiezen.

Clingendael heeft allerlei personen in dienst die het op zijn website “experts” noemt, die zich met diverse onderdelen van de buitenlandse betrekkigen bezig houden. De laatste keer dat we de website bekeken, waren dat er vijfennegentig. The devil is in the detail, dus laten we de lijst eens aflopen.

Ivan Briscoe. Maar Ivan is een Brit, aan zijn accent te horen. Waarom schrijft een Brit mee aan ons buitenlands beleid, oftewel aan hoe ons land zich moet opstellen ten opzichte van andere landen om de belangen van zijn inwoners optimaal te behartigen? Is een Brit niet veel eerder geneigd om zaken te suggeren die gunstig zijn voor de positie van zijn land in de internationale verhoudingen?

Dat zouden we hem niet kwalijk kunnen nemen. Daarmee is hij alleen maar een goed patriot. Stel, in tegendeel, dat hij juist goede suggesties doet voor een succesvol Nederlands buitenlands beleid, dan is het onvermijdelijk dat het belang van Nederland op bepaalde punten strijdig is met dat van Groot-Brittanië. Als hij dus goed zijn werk doet, is het dus onvermijdelijk dat hij vroeg of laat tegen de belangen van zijn vaderland moet adviseren. Briscoe kampt dus met een dubbele lojaliteit, met een conflict of interest. Dat is de reden dat onze grondwet stelt dat het buitenlands beleid van ons land door Nederlanders gemaakt moet worden.

Terug naar zijn positie bij het “Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen”. Briscoe houdt zich bezig met “security & justice”, dat wil zeggen “veiligheid en justitie”, maar hebben we daar niet al een instelling voor, namelijk het Ministerie van Veiligheid en Justitie? Dus, met alle respect voor zijn werk, dat er overigens goed uitziet, deze Brit is hier niet op zijn plaats.

De volgende expert is Grégory Chauzal. Hij houdt zich bezig met “policy debates”. Dus, deze Fransman helpt ons ermee, hoe we moeten debatteren over ons beleid. Opnieuw met alle respect, hebben we daar een Fransman voor nodig? Is er niemand temidden van de 17 miljoen Nederlanders die ons daarmee kan helpen?

Het belangenconflict is in het geval van Chauzal nog scherper, want het betreft een voormalige ambtenaar van het Franse ministerie van Defensie.

We gaan goedmoedig verder. Ragnhild Drange is assistent voor “conflict and fragility”. Zij heeft Noors als moedertaal, – nationaliteit wordt op de website van Clingendael stelselmatig verzwegen, dus we moeten het doen met secundaire indicatoren als opleiding en moedertaal – “working knowledge” van het Nederlands, maar ziet er sympathiek uit. Daarom wordt ze door de Nederlandse belastingbetaler in staat gesteld om aan ons buitenlandbeleid mee te werken.

Verder.

Marianne Ducasse- Rogier helpt ons met “diplomacy and foreign affairs”. Met alle respect voor deze sympathieke Française, wat heeft zij zich met de Nederlandse diplomatie en het Nederlandse buitenlandbeleid te bemoeien?

Diana Goff houdt zich als “research fellow”, net als senor Briscoe, bezig met “security & justice”. Deze sympathieke dame lijkt op basis van haar CV in de Verenigde Staten van Amerika te zijn geboren en getogen en mag nu mede ons veiligheidsbeleid vormgeven. Waarom?

Mariana Gomez Neto lijkt ondanks haar Spaanse naam gewoon Nederlands te zijn, hoewel ook haar nationaliteit op internet taboe lijkt te zijn, en dus gaan we verder met

Nick Grinstead, project assistant voor “conflict & fragility”. Nick is Amerikaan, naar het zich laat aanzien, maar ook hij heeft zijn nationaliteit zorgvuldig verborgen. Elders op internet zegt hij over zichzelf: “He speaks English, Levantine Arabic, intermediate Swedish and basic Spanish and French. He currently resides in Sweden and enjoys a good club sandwich.” Dus we mogen wel weten wat zijn favoriete lunchgerecht is, maar niet van welk land hij burger is. En opmerkelijk genoeg spreekt deze polyglot geen Nederlands.

Shaun Riordan heeft zestien jaar (sic!) in Britse diplomatieke dienst gewerkt, is woonachtig in Madrid en houdt zich nu bij het “Nederlandse Instituut voor Internationale Betrekkingen” bezig met “diplomacy & foreign affairs”. Men zou zeggen dat hij als voormalige Britse diplomaat en voormalig ambtenaar van het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken elke zweem van partijdigheid moet mijden en zich niet moet bemoeien met de Nederlandse diplomatie.

Iemand anders die zich met ”diplomacy & foreign affairs” bezig houdt, is een project-assistent met de klinkende naam Francesco Saverio Montesano. Ook hier verzwijgt de website nationaliteit en herkomst, terwijl hij werkt in een van de weinige functies in ons land – namelijk als medewerker van het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen – waar dat juist wèl belangrijk is. Ook op LinkedIn vezwijgt hij zijn nationaleit, maar de klinkende naam en het diploma van een Liceo Classico in Rome doen vermoeden dat het niet om een Fin gaat.

Dan gaan we verder met Megan Price, “research fellow”. Zij houdt zich ook al bezig met “security & justice”, een populair onderzoeksveld bij Clingendael. Het lijkt wel of er een heel parallelministerie van Veiligheid & Justitie functioneert.

De volgende buitenlandse expert is Mark Singleton, “director of ICCT” en bijdragend aan – het onderzoek naar – “security & terrorism”. Mark, die eerder voor Tony Blair in Jeruzalem werkte als “Acting Head of Mission at the Office of the Quartet Representative”, is nu directeur van het “International Centre for Counter-Terrorism” in Den Haag. Waarom staat ie dan op de Clingendael website als één van hun experts? En is terrorismebestrijding niet iets voor de veiligheidsdiensten of voor de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid? Aangezien Singleton ook voor het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken gewerkt, werpt zich de vraag op of deze Brit op dat moment de Nederlandse nationaliteit bezat, want als dat niet zo is, is dat een dubbele schending van de grondwet.

Sofia Zavagli houdt zich als Italiaanse bezig met het Nederlandse beleid ten aanzien van “security & terrorism”. Ze heeft sinds november 2015 drie teksten geschreven voor haar werkgever, maar allemaal coproducties. Het lijkt een gewoonte te zijn bij Clingendael dat rapporten meerdere auteurs hebben. Zo kun je dus nooit zien van wie een concrete bewering komt, wie het onderzoek achter een stelling daadwerkelijk heeft gedaan. Geen enkele auteur is individueel verantwoordelijk voor wat hij schrijft en auteurs dekken elkaar. De “policy brief” over de aanslagen in Parijs in november 2015 heeft bijvoorbeeld zes auteurs voor tien pagina’s tekst: behalve Zavagli zijn dat directeur Ko Colijn, Mark Singleton, Bibi van Ginkel, Grégory Chauzal, en Christophe Paulussen. Het document eindigt met een reeks “beleidsaanbevelingen”, maar je kunt dus niet zien wie die gedaan heeft en uit welk land ze stammen. Als je de zes auteurs gezamenlijk verantwoordelijk houdt voor de inhoud, hetgeen de bedoeling lijkt, zijn deze aanbevelingen echter mede gedaan voor een Brit, een Fransman en een Italiaanse.

Voorts stuiten we op Cecilia Albin (Zweden) en Mark Anstey (Zuid-Afrika) die ons helpen met “diplomacy & foreign affairs”, Nicole Ball (VS) houdt zich weer bezig veiligheid en justitie.

Tony Bass – die 30 jaar als ambtenaar voor de Ierse overheid gewerkt heeft (sic!) – doet “Europe” en “Euroforum” voor het Nederlandse Instituut voor Internationale Betrekkingen. Van Bass worden helemaal geen publicaties op de website genoemd.

Mai’a Davis Cross (VS) doet hetzelfde als Bass, maar dan doet er nog “diplomacy & foreign affairs” bij.

Guy Olivier Faure – volgens Wiki in 1943 geboren in Frankrijk – doet ook D&FA, maar doet er nog “international negotiation” erbij.

Dus we hebben een Fransman die uitvoerders van het Nederlandse buitenlandbeleid moet leren hoe ze met vertegenwoordigers van andere landen, Frankrijk bijvoorbeeld, moeten onderhandelen.

Verder met Fen Osler Hampson. Die doet hetzelfde als Faure. Hampson lijkt een Canadees te zijn, maar dat valt niet met zekerheid vast te stellen, want ook hij laat zijn nationaliteit op internet weg. Voor hem spreekt dat hij tenminste een serieuze publicatielijst heeft, zij het merendeels niet voor Clingendael. Dan springen we over Bertus Hendriks heen, – zoals we ook met de overige Nederlandse gedaan hebben -, en komen we bij Brian Hocking. Hocking doet ook D&FA, dus dat onderwerp is rijkelijk bedeeld met expertise. Hocking lijkt een Brit te zijn op basis van de gecensureerde CV’s die van hem op internet te vinden zijn.

Daarna komen we via Arjuna Kannangara (D&FA, waarschijnlijk Brit) en Mordechai Melamud (Israël, D&FA) bij Valerie Rosoux, een Belgische dame te oordelen naar haar gecensureerde CV die zich, needless to say, ook bezig houdt met “diplomacy & foreign affairs”. Opvallend is dat er slechts één publicatie van haar hand wordt genoemd, uit maart 2014, hetgeen suggereert dat ze de laatste twee jaar geen onderzoek heeft gedaan dat het waard is om gepubliceerd te worden.

Vervolgens komen we bij Rudolf Schüssler (D&FA, international negotiation) die in zijn onschuld in zijn biografie op de Clingendael-website per ongeluk zijn nationaliteit vermeldt. Daar zijn we deze sympathieke Duitse professor van de Universiteit van Bayreuth dankbaar voor.

Daarop volgt Paul Sharp (D&FA, dit keer zonder international negotiation). Lijkt een Brit, Amerikaan of Canadees te zijn, maar heeft ook zijn nationaliteit van internet weggemoffeld.

We gaan verder met Paul Shotton, een Brit die ons onderwijst over “Europe” en, leuke woordspeling, “Euforum”.

Dan nog wat Hollanders totdat we afsluiten met Sarah Wolff, die wederom Brits lijkt te zijn en zich bezig houdt met “Europe & Euroforum”, alsmede met “security & terrorism”) en I. William Zartman, een voormalige adviseur van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken.

Conclusie
Even tellen en dan blijkt dat er van de vijfennegentig experts liefst achtentwintig naar het zich laat aanzien niet over de Nederlandse nationaliteit beschikken.

Hier past maar een conclusie, namelijk dat een aanzienlijk deel van ons buitenlandbeleid inhoudelijk door buitenlanders wordt geschreven.

Dat is een duidelijke schending van onze grondwet en moet zo snel mogelijk rechtgezet worden.